Dobberplaag

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 2: de terreur van de dobber.

Een ziekte, syndroom, stoornis of krankheid, geen idee wat het was. Ik houd het op een plaag: de dobberplaag. Goddank is het nu al een poos achter de rug, maar er was een periode, in het begin van m’n hengelcarrière, dat dobbers mij onophoudelijk terroriseerden. Dit klinkt gek, want dobbers doen uit zichzelf niets. En toch zaten ze me overal achterna. Niet fysiek, maar de beeltenis. Om precies te zijn: het plaatje van een duikelend dobbertje. Die kleine, machtige neerwaartse beweging als je beet hebt. Het hield mij dag en nacht bezig. Honderden uren bracht ik door aan de waterkant, ook in de ijzigste wintermaanden, met klapperende tanden, turend naar dat tantaliserende, groengele staafje. De vis zelf interesseerde mij amper; alles draaide om de dobber; de dansende, duikelende, hupsende, springende dobber, en dan raden wat voor vis eraan zit.

Tot diep in de nacht speurde ik YouTube af op zoek naar filmpjes met wegschietende dobbertjes, snoekdobbers, foreldobbers, voorndobbers, geepdobbers, alle smaken en kleuren; ik werd ermee wakker en ging ermee naar bed, meine Liebe! Moet u zich voorstellen, een volwassen jongeman, redelijk denkend, die vrouw en werk verzaakt omdat hij avondenlang naar dobbertjes zit te staren, daar moet iets mis mee zijn. Chronische slapeloosheid, vette wallen, en op een goed moment, ik zweer het, zag ik ze vliegen, de dobbers, letterlijk door m’n keuken en huiskamer. Toen pas drong het tot me door: dit moet subiet stoppen. In medische handboeken vond ik niks, therapeuten veracht ik, en op internet snuffelde ik naar allerlei kringgesprekken, Anonieme Dobberaars, of zoiets, maar ik vond niks. Ook bij collega vissers ving ik bot. De meesten reageerden lacherig, spottend, of ze keken me bezorgd aan.

Enfin, de dobberplaag, is goddank verleden tijd. Ben er zonder restverschijnselen vanaf gekomen, hoop ik. Wat in elk geval hielp is de visserij zelf. Ik doorliep een soort transitie: de dobberplaag maakte geleidelijk plaats voor de ‘dril’. De kromming van de hengel. De sensatie van het fysieke gevecht. De strijd met het verborgene. Die raadselachtige oerverbintenis met een waterwezen via een millimeterdunne navelstreng van nylon. Ineens snap je Hemingways Old Man. Ineens snap je dat een tachtigjarige in een bootje de zee opzoekt met een mandje sardientjes, een haak en lijn in de hand.

Dat nu is mijn grootste droom: ooit die zwaardvis grijpen. Met een bootje en een handlijn. Al moet ik daarvoor weken dobberen op de Pacific, doodziek van de golven en deining, krijgen zal ik hem. Een tonijn is trouwens ook magnifiek. Als die nog bestaat tenminste. Las van het weekend dat in Spanje een internationale illegale blauwvintonijnhandel is ontmanteld. Het gore tuig verdiende een fortuin door jaarlijks 2,5 miljoen kilo tonijn te verzwendelen. 2,5 miljoen kilo! Als mijn tonijn vijftig kilo weegt, mag ik sterven.

    • Mohammed Benzakour