Recensie

‘We plunderen alles wat we vinden’

Ooggetuigenverslag

De Franse dichter Michel Leiris ging in 1931 mee met een etnografische inkoopreis naar Afrika. Zijn boek L’Afrique fantôme geeft een ontluisterend inkijkje in hoe Europese museumcollecties tot stand zijn gekomen.

Deelnemers aan de ‘Mission Dakar-Djibouti’, mei 1931. Michel Leiris staat op de achterste rij, tweede van links. Foto uit privécollectie

Tot nu toe hebben ze niemand naakt langs de kant van de weg achtergelaten, schrijft Michel Leiris in de zomer van 1931 in zijn logboek. Hij is ervan overtuigd dat het slechts een kwestie van tijd is voor hij en zijn missiegenoten een achteloze voorbijganger alle kleding van het lijf kopen.

De Franse dichter en latere etnoloog Michel Leiris (1901-1990) was een van deelnemers aan de eerste door de Franse staat gefinancierde etnografische missie in Afrika. Zijn subjectieve verslag van die reis, dat in 1934 werd gepubliceerd onder de titel L’Afrique fantôme, geeft een ontluisterend inkijkje in hoe sommige collecties van Europese etnografische musea tot stand zijn gekomen. Vaak wordt gezegd dat deze collecties via aankopen en giften ontstonden. Uit Leiris’ notities blijkt dat er inderdaad veel is gekocht, maar ook dat wat de lokale bevolking niet wil verkopen, onbeschaamd is gestolen.

Het belangrijkste doel van de ‘Mission Dakar-Djibouti’, die vertrok uit het Senegalese Dakar aan de westkust van Afrika en anderhalf jaar later eindigde in Djibouti aan de oostkust van het continent, was kunst en artefacten te verzamelen voor het Museum National d’Histoire Naturelle en het Musée d’Ethnographie du Trocadéro, beide in Parijs.

Met goed gevulde geldbuidels vertrekken de Fransen op 19 mei 1931 uit Bordeaux. Zodra ze aan wal gaan, kan letterlijk ieder object volgens Leiris op hun aandacht rekenen. Zo schrijft hij op 28 augustus 1931: „We plunderen, net als in de andere dorpen alles wat we kunnen vinden aan danskostuums, gereedschap, kinderspeelgoed et cetera.” De tocht van meer dan 6.500 kilometer zou een „buit” opleveren van zo’n 3.700 voorwerpen, die nu grotendeels is opgenomen in de collectie van het Parijse Musée du Quai Branly.

Extreme maatregelen

Het boek van Leiris is vooral berucht om zijn beschrijvingen van extreme maatregelen die het team nam als bewoners niet wilden meewerken aan een verkoop. Dat hij over zulke praktijken veel openhartiger schreef dan anderen, komt mede doordat hij als dichter een vreemde eend in de bijt was tussen de wetenschappers op deze koloniale shopping trip en niet eerder in Afrika was geweest.

Zo beschrijft de Fransman dat het team op 6 september 1931 in Kemeni (nu behorend tot Mali) een prachtige met schedels en veren versierde hut ziet waarin een fetisj of kono wordt bewaard. In het huisje liggen door de bevolking vereerde objecten, zoals fluiten gemaakt van hoorn, hout, ijzer en koper. In Leiris’ notities staat droog beschreven hoe de Franse missieleider, antropoloog Griaule „het getreuzel” van de lokale dorpelingen beu is en op een onbewaakt moment deze instrumenten in zijn laarzen stopt en meeneemt.

Verzamelen dient volgens Leiris een hoger doel: ‘informatie over de zwarten delen’

Als de dorpelingen later weigeren om mee te werken aan een offer, een ritueel dat moet worden uitgevoerd om de eigenlijke kono, een reusachtig masker, aan de Fransen te laten zien, verkondigt Griaule hardop dat ze hem „uitlachen”. De dorpelingen moeten om het goed te maken hun kono verkopen voor tien Franse francs. Als ze dat niet doen, zal de politie, die zich volgens Griaule dichtbij verschuilt, de dorpshoofden arresteren. De geschokte dorpelingen stemmen in.

„IJzingwekkende chantage!”, schrijft Leiris. Later vermeldt hij in een brief aan zijn echtgenote dat het behalve onrechtvaardig ook pure bluf is. De politie is in geen velden of wegen te bekennen. Het weerhoudt Leiris er niet van om een dag later mee te helpen een andere kono te stelen, ditmaal een beeld van een speenvarken gemaakt uit gestold bloed.

Geregeld lijken ernstige diefstallen plaats te vinden met behulp van omgekochte lokale bevolking. Zo noteert Leiris in augustus 1932 dat het hoofd van de kerk er zelf mee instemt dat het team originele schilderijen en fresco’s uit twee kerken in de Ethiopische stad Gondar meeneemt en vervangt door kopieën. Uit Leiris’ notities van een maand later blijkt dat hogere geestelijken en het bestuur in de regio het hier absoluut niet mee eens zijn. Uiteindelijk smokkelen de Fransen de werken de stad uit.

Opmerkelijk is hoe de missieleden oprechte interesse in objecten en plaatselijke gebruiken, combineren met een volstrekte minachting voor lokale gevoeligheden. Zo doen ze weinig moeite om te ontdekken waarom een gids hen – met overduidelijke smoesjes – weghoudt van een plek met rotstekeningen in de buurt van Kita (Mali). Later verneemt Leiris dat er dorpsnotabelen begraven liggen. De dag dat ze de tekeningen bezoeken en „de terneergeslagen gids achterlaten”, schrijft Leiris: „Als ze ons rechtstreeks daar naar toe hadden gebracht, was het veel minder werk geweest, de grotten liggen vlakbij het dorp – en ze hadden er nog 50 Franse franc aan verdiend. Dat krijg je met bang zijn voor geesten!”

Tegelijkertijd besteedt het missieteam, dat onder meer uit antropologen, biologen en musicologen bestaat, veel tijd aan onderzoek naar lokale gebruiken en rituelen. Ook Leiris houdt zich hier uitgebreid mee bezig en zou na zijn reis beginnen te werken als etnograaf.

Koloniaal gedrag

Leiris eigen houding ten opzichte van wat het team uitvoert, is dubbel. Hij heeft een duidelijke afkeer van wat hij beschouwt als ‘koloniaal’ gedrag, zoals met medische hulp mensen paaien om belastingen te betalen. In de brieven aan zijn echtgenote blijkt hij zich ook geregeld te schamen voor de bruutheid van hun handelen. Tegelijkertijd vergoelijkt hij hun verzamelmethodes. Die dienen een hoger doel, namelijk „informatie over de zwarten delen” met onder meer wetenschappers in Frankijk. Het zal uiteindelijk in het voordeel van Afrikaanse bewoners werken, legt hij haar uit.

Naarmate de reis vordert, wordt Leiris wel cynischer over de missie. Wie weet leidt het meenemen van objecten naar Europa er wel vooral toe dat er nog meer antropologen naar Afrika komen en daar net als hun team aan het plunderen slaan? Deze kritische bedenkingen leiden in L’Afrique fantôme bij de dichter nog niet tot sterkere anti-koloniale statements, eerder tot algemene misantropie.

In een voorwoord bij een heruitgave in 1951 neemt Leiris wel een anti-koloniaal standpunt in. Dan schrijft hij dat de notities geschreven zijn „in een mentale toestand die hij achter zich heeft gelaten”.

Phantom Africa Vert. door Brent Hayes Edwards. Seagull Books, 720 blz., €50,99
    • Sabeth Snijders