Vertrokken Nederlands

Ewoud Sanders

Doordat pers en politiek de laatste jaren zo gefixeerd zijn op buitenlanders die naar Nederland komen, verliezen we soms uit het oog hoeveel Nederlanders naar het buitenland emigreren. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek de afgelopen drie jaar gemiddeld ruim 150.000 per jaar, zowel naar Europese als naar niet-Europese landen. Ook veel Vlamingen pakken hun biezen: in 2017 zo’n 35.000.

Hoe gaan die geëmigreerde Nederlanders en Vlamingen om met hun moedertaal en cultuur? Hoe geven zij die door aan de volgende generatie(s)? Gaat dat voornamelijk via de taal of via culturele gewoonten – zoals het vieren van bepaalde feestdagen of het consumeren van producten uit hun geboorteland of -streek? En is dat overal hetzelfde of verschilt dit per land, continent, generatie of herkomstgebied?

Pas sinds kort wordt dit alles systematisch onderzocht. En wel in het project Vertrokken Nederlands van het Meertens Instituut en de Taalunie, onder leiding van taalkundige Nicoline van der Sijs.

In april maakte Van der Sijs voor het eerst melding van deze pilotstudie, eind juli stond de eerste enquête online en onlangs verscheen de tweede enquête.

Bijkomend doel van dit onderzoek is om via onder meer internationale organisaties, docentennetwerken en sociale media een internationaal panel van informanten en ambassadeurs (‘burgerwetenschappers’) samen te stellen.

Dat lijkt goed te lukken, want de eerste enquête is inmiddels door 4.500 mensen ingevuld, met in de top vijf Australië (386 respondenten), Frankrijk (359), Duitsland (336), de Verenigde Staten (305) en Canada (193). Deze hoge respons maakt Vertrokken Nederlands tot het grootste onderzoek dat ooit is uitgevoerd naar de positie en variatie van het Nederlands in het buitenland.

Er zal onder meer worden onderzocht of het klopt dat vertrokken Nederlanders hun eigen taal snel inruilen voor die van het emigratieland. Dat was een van de conclusies van het onderzoek dat Jo Daan in 1966 deed naar Nederlanders die naar de Verenigde Staten waren geëmigreerd, gepubliceerd onder de titel Ik was te bissie – te druk om het Nederlands bij te houden of over te dragen. Dankzij internet is het inmiddels veel makkelijker geworden om alles uit het moederland te blijven volgen: nieuws, televisie, films, cabaretiers, enzovoorts.

De eerste enquête bevat vooral vragen over welke taal of welk dialect de emigrant thuis of in de omgeving spreekt. De tweede enquête is meer gericht op het behoud en de overdracht van moedertaal en cultuur in het emigratieland. Worden er nog sprookjes uit het land van herkomst verteld of voorgelezen, nog Nederlandse of Vlaamse spelletjes gespeeld, rijmpjes of zogenoemde knieversjes opgezegd, Nederlandstalige boeken (voor)gelezen, dialectliedjes, wiegeliedjes of sinterklaasliedjes gezongen? Deze enquête bevat ook enkele vragen over moppen: vertelt of hoort de emigrant Belgenmoppen, moppen over Nederlanders dan wel over Sam en Moos?

De uitkomsten van deze enquêtes zijn natuurlijk nog niet bekend, want het onderzoek is in volle gang en wellicht kunnen lezers van deze rubriek hun geëmigreerde vrienden of familieleden wijzen op dit interessante project (zoek op internet naar ‘Vertrokken Nederlands’). Sommige antwoorden zijn wel al te lezen in de gelijknamige Facebookgroep. Zo schreef een Vlaamse studente die in Berlijn woont: „Ik heb nog nooit van ‘Sam en Moos’ gehoord.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders