Teruggeven van koloniale kunst gebeurt zelden, maar er komen nieuwe regels

Juridische instrumenten Hoe gaan westerse musea om met etnografische stukken die ooit zijn geroofd? Slechts incidenteel wordt er iets teruggegeven aan het land van herkomst. Maar veranderingen lijken op komst, dankzij nieuwe wetten en richtlijnen.

Still uit de Amerikaanse film Black Panther waarin een strijdbijl wordt ‘teruggeroofd’ uit het fictieve ‘Museum of Great Britain’.

Hoort koloniale roofkunst in westerse musea, of moet het worden teruggegeven aan de herkomstgemeenschappen? Deze vraag komt aan de orde in het Amerikaanse superheldenepos Black Panther, dé filmhit van 2018. Een in de negentiende eeuw geroofde strijdbijl uit het fictieve Afrikaanse land Wakanda wordt in de film op spectaculaire wijze ‘teruggeroofd’ uit het ‘Museum of Great Britain’.

Die diefstal lijkt op een opvallende reeks inbraken in echte musea. Sinds 2010 hebben dieven toegeslagen in musea in Zweden, Noorwegen, Groot-Brittannië en Frankrijk. Ze hadden het gemunt op Chinese antiquiteiten die in 1860 door het Franse en Britse leger zijn geroofd uit het Oude Zomerpaleis in Beijing. In de internationale pers is gespeculeerd dat het een patriottische actie zou kunnen zijn, gefinancierd door een van de vele Chinese miljardairs. Met enige sympathie berichtte The Washington Post op 12 september over de diefstallen in een artikel met de kop: ‘Is it okay to steal back looted colonial-era artifacts?’

In Black Panther rechtvaardigt de dief de ‘terugroof’ tegenover de verbouwereerde museumdirecteur door haar te wijzen op het feit dat haar voorouders de bijl eveneens roofden. Oog om oog, tand om tand? Een in het Westen vaak gehoorde argumentatie tegen restitutie is dat destijds andere normen golden, claims zijn verjaard, kunstschatten universele waarde hebben en westerse musea daar het beste voor kunnen zorgen.

Maar Benin of China bestempelen negentiende-eeuwse plunderacties door buitenlandse legers allerminst als ‘wettig’. In lijn daarmee ligt de oproep van de Franse president Macron, die november vorig jaar aangaf dat musea in zijn land Afrikaans erfgoed gaan teruggeven aan landen van herkomst.

Ook in Duitsland, dat tijdens een relatief korte koloniale periode intensief etnologische objecten verzamelde, is de kunstwereld naarstig op zoek naar antwoorden op netelige vragen rond koloniale collecties. Dit niet in de laatste plaats in verband met de opening volgend jaar van het Humboldt Forum in Berlijn, waarin twee musea voor wereldculturen zullen opgaan. De nadruk in Duitsland ligt vooral op onderzoek, samenwerking met herkomstgemeenschappen en oplossingen zoals gezamenlijk beheer.

De Duitse Museumassociatie publiceerde in het voorjaar de Richtlijn voor het omgaan met collecties uit koloniale context. Eigendomsclaims, staat in de lijvige richtlijn, zijn niet te beantwoorden met bestaande juridische instrumenten. Internationale verdragen zijn niet van toepassing op oudere kwesties. En volgens gewone eigendomsregels zijn claims verjaard. Net als dat vaak het geval is met nazi-roofkunst.

De teruggave door de Stichting van de Berlijnse musea in mei dit jaar van negen objecten (maskers, een beeldjes en een babybedje) die eind negentiende eeuw waren geroofd uit graven in Alaska, was dus opvallend. Vooral omdat als reden wordt opgegeven dat de objecten „tegen de wil van de lokale bevolking en dus onrechtmatig” waren meegenomen. Geen juridische instrumenten maar wel onrechtmatig, hoe zit dat?

Cicero betoogde al dat andermans cultuur respect verdient

De stier van Potter

Kunstroof is iets van alle tijden. Tegelijkertijd is de norm dat andermans cultuurgoederen respect verdienen opvallend ouderwets. De Romeinse filosoof Cicero betoogde bijvoorbeeld al dat een ‘eervol’ generaal respect betoont voor de cultuur van een overwonnen volk, ook al was plunderen destijds geoorloofd. En de zeventiende-eeuwse rechtsgeleerde Hugo de Groot, een van de grondleggers van het volkenrecht, kende in 1625 in zijn verhandeling over het oorlogsrecht monumenten en kunstwerken al een beschermde status toe.

Het verbod op toe-eigening van kunst is dan ook in de allereerste verdragen over het oorlogsrecht opgenomen (in werking in 1900) en inmiddels stevig verankerd in ons recht. In die ontwikkeling wordt het Congres van Wenen na de Napoleontische oorlogen (1815) wel als keerpunt gezien. Na de nederlaag van Napoleon bepleitten de geallieerden dat geroofde kunst terug moest naar de plek waar die „thuishoorde”. Geen ‘winners takers’, maar restitutie op basis van territorialiteit als regel voor geroofde kunst. Zo keerde veel terug, bijvoorbeeld De stier van Paulus Potter. Napoleon had het schilderij in 1795 vanuit Den Haag naar het Louvre in Parijs gehaald. In 1815 kwam het opgerolde doek per koets terug naar Nederland.

Op internationaal niveau wordt sinds 1973 in een serie VN-verklaringen dan ook aangedrongen op teruggave van objecten die van cultuurhistorisch belang zijn voor de gemeenschappen van herkomst, waarbij de link werd gelegd met het recht op zelfbeschikking. Teruggave, met andere woorden, als noodzakelijke bouwsteen voor de culturele ontwikkeling van nieuwe staten.

Ontwikkelingen

Veel betwiste collecties zijn niet teruggegeven. Niet alleen Afrikaanse landen, ook opkomende machten als China en India is dat een doorn in het oog. Burgerinitiatieven en overheidsbeleid gericht op het in kaart brengen van geroofde kunstschatten, zorgen in die landen nu voor een kentering van de publieke opinie.

Slechts incidenteel is sprake van teruggave. Zoals de Franse teruggave in 2011 aan Zuid-Korea van antieke manuscripten, die in 1866 bij een militaire plunderactie waren geroofd. Maar daar staat dan weer een Franse afwijzing in 2016 tegenover van de claim van Benin op de schat van Abomay, die in 1892 bij een militaire plunderactie werd geroofd.

Op aandringen van president Macron ontwikkelt Frankrijk nu dus een teruggavebeleid. De recente uitspraak van de Britse oppositieleider Jeremy Corbyn, dat wat hem betreft de Elgin Marbles teruggaan (belangrijke delen van het Parthenon in Athene in het British Museum, die Griekenland sinds jaar en dag claimt), illustreert dat ook in Groot-Brittannië veranderingen op komst lijken.

Vergeleken met Europa hebben ‘settler states’ als de Verenigde Staten, Nieuw Zeeland en Canada meer ervaring met claims van oorspronkelijke (inheemse) eigenaren op etnologische voorwerpen. In de VS geldt bijvoorbeeld een wet die musea verplicht inheemse grafvondsten terug te geven aan de betreffende bevolkingsgroepen.

Vooral de Nieuw-Zeelandse overheid is internationaal actief. Het Museum Volkenkunde in Leiden hoort tot de musea die afstand deden van zogenaamde Toi Moko, geprepareerde getatoeëerde Maori-hoofden, ooit geliefde exotische verzamelobjecten.

Voor deze categorie is de VN-Verklaring van de Rechten van Inheemse Volkeren van 2007 van belang. Deze verklaring geeft inheemse volkeren bepaalde rechten op verloren cultuurgoederen. Al naar gelang de aard en (rituele) betekenis van het object varieert dat van een recht op toegang, gebruik en controle, tot repatriëring van objecten waarin menselijke resten zijn verwerkt.

Internationale ‘soft law’ instrumenten – zoals ethische codes – geven ten slotte aanwijzingen hoe musea om kunnen gaan met koloniale roofkunst. De focus ligt daarbij op herkomstonderzoek (weet wat je in huis hebt en vertel het verhaal), dialoog en onderhandelingen met oorspronkelijke eigenaren, en billijke oplossingen voor claims.

Kunstwerk of erfgoed?

In zijn troonrede van dit jaar zei koning Willem-Alexander: „Erfgoed en cultuur laten ons zien waar we vandaan komen, houden ons een spiegel voor in het heden en zijn zo van grote betekenis voor de toekomst van een land.” Zo bezien – kunst als erfgoed en symbool van een identiteit – is het niet gek dat de vraag wie ‘recht’ heeft op in het verleden geroofde cultuurgoederen velen bezighoudt.

Als juridische eigendomskwestie is deze vraag (naar Nederlands maatstaven) snel beantwoord. Maar als mensenrechtenkwestie ligt dat heel anders. Dat is de benadering van de VN-Verklaring van de Rechten van Inheemse Volkeren van 2007. En ook die van Macron, toen hij pleitte voor teruggave van Afrikaanse kunst. De Franse president leek het minder interessant te vinden hoe de betreffende kunst ooit in Frankrijk terecht is gekomen. Macron stelde centraal dat Afrikanen het recht hebben op toegang tot hun eigen culturele erfgoed.

    • Evelien Campfens