Italië staat al twintig jaar stil

Zeven vragen over de Italiaanse economie Italië en Brussel zijn ongekend hard gebotst over de begroting. Zeven vragen over de Italiaanse economie.

Foto EPA/ Claudio Peri De Italiaanse premier Giuseppe Conte.

De Italiaanse regering wil volgend jaar het begrotingstekort verder laten oplopen. Brussel zegt keihard ‘nee’: Italië moet binnen drie weken een nieuwe begroting indienen. Terwijl in veel andere Europese landen er economisch gezien een gunstige wind waait, blijft Italië achter. Daar wil de regering wat aan doen. Hoe kan dat, die achterstand, en zes andere vragen.

  1. Waarom wil Rome zoveel meer gaan uitgeven?

    Regeringspartijen Lega en Vijfsterren willen chronische problemen van Italië aanpakken. Hun maatregelen moeten de economische groei aanwakkeren, de werkgelegenheid stimuleren en een einde maken aan de armoede. Meer werk moet er komen doordat mensen eerder met pensioen mogen. Daardoor, is de redenering, komen 400.000 banen vrij voor jongeren. De werkloosheid loopt nu volgens het statistisch bureau Istat tegen de 10 procent – voor jongeren ligt die boven de 30 procent.

    Het zogeheten burgerinkomen moet een bestaansminimum garanderen van 780 euro per maand. Voorwaarde daarbij is dat mensen werk zoeken – het criterium daarvoor is dat ze binnen twee jaar een van drie banen die het arbeidsbureau hen aanbiedt, moeten accepteren. Waarschijnlijk wordt deze uitkering gegeven in de vorm van een creditcard voor consumptieve uitgaven. Volgens de katholieke hulporganisatie Caritas is het aantal Italianen dat in armoede leeft, vorig jaar gestegen naar 5 miljoen van de 60 miljoen Italianen.

    Met meer geld in handen stijgt de consumptie en kan de economie weer gaan groeien, redeneert het kabinet. Een andere maatregel om de koopkracht te verhogen is een gedeeltelijke amnestie voor conflicten met de belastingdienst – iets waarvan in de praktijk loontrekkers veel minder profiteren dan zelfstandigen.

  2. Hoe is Italië zo in de problemen gekomen?

    Een grove schets. Italië is in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog veranderd van een agrarisch naar een industrieel land. Ondanks snel wisselende kabinetten was het land in essentie politiek stabiel. Grote staatsholdings boden een kader voor sterke industriële groei, ook van de particuliere sector. In de jaren zeventig begon de klad daarin te komen. De loonkosten stegen sterk en het systeem van staatsbedrijven degenereerde: ze werden instrumenten voor een cliëntelistisch werkgelegenheidsbeleid en een geldautomaat. De corruptie, ook in de particuliere sector, werd steeds groter. In de tweede helft van de jaren tachtig was dat nog niet zo zichtbaar en was Italië een Europees succesverhaal. Begin jaren negentig stortte heel dat politiek-economische systeem in onder corruptie- en maffiaschandalen.

    Sinds de eeuwwisseling kampt de Italiaanse economie met twee nieuwe ontwikkelingen. De invoering van de euro betekende een keurslijf. Devaluatie van de munt om weer concurrerend te worden, was niet meer mogelijk. En de versnellende globalisering bracht concurrentie met zich mee waar een aantal traditioneel belangrijke sectoren (meubels, textiel) niet tegen opgewassen was.

  3. Wat zijn de oorzaken van de problemen?

    Economen noemen een heel rijtje problemen. Zoals de lage arbeidsproductiviteit: in Italië is die tussen 1998 en 2016 met 3,5 procent gestegen; in Duitsland met 47 procent. De bevolking is relatief laag opgeleid – binnen de EU heeft alleen Roemenië minder afgestudeerden per hoofd van de bevolking. De gezaghebbende econoom Carlo Cottarelli somt „zeven hoofdzondes” op: grootschalige belastingontduiking, corruptie, een overdaad aan regels en stroperige bureaucratie, een gebrek aan rechtszekerheid door de trage justitie, een verouderende bevolking, en de enorme kloof tussen het noorden en zuiden van het land. De zevende reden: „De Italiaanse economie is niet in staat geweest om zich aan te passen aan de euro en de nieuwe regels die voortvloeien uit het lidmaatschap van de euro-club, of heeft dat niet gewild. We zijn in de euro gekomen denkend dat we konden blijven doen zoals we voorheen deden.” Terwijl andere landen met dubbele cijfers groeiden, staat Italië staat al twintig jaar stil.

  4. Lees ook dit interview met Cottarelli: ‘Politici doen alsof Italië zo uit de euro kan stappen’
  5. Waar komt de hoge staatsschuld vandaan?

    De jaren tachtig lieten de sterkste groei van de staatsschuld zien. In 1980 was die nog 57 procent van het bruto binnenlands product, in 1991 na een periode van sterke economische groei boven de 100 procent. Het waren de jaren dat Italië zijn economische expansie met geleend geld financierde – geleend geld waarvan een fors deel terecht kwam in het corruptie-circuit. In de tweede helft van de jaren negentig, in Nederland een tijd van groeiende rijkdom, is in Italië juist fors bezuinigd. De lage rente die toetreding tot de eurozone met zich meebracht, gaf in de eerste jaren van deze eeuw wat rust (al is in die periode in bijvoorbeeld België het tekort sneller gedaald). Maar in de periode 2008-2012 was er een nieuwe explosie, toen de toenmalige premier Silvio Berlusconi royaal de ambtenarensalarissen verhoogde en de belastingen verlaagde.

  6. Hoe beïnvloedt de staatsschuld de economie?

    Eén aspect is de claim die de hoge rentebetalingen leggen op de uitgaven. Wat je aan rentebetalingen kwijt bent, kan niet gaan naar investeringen in infrastructuur of onderwijs, naar belastingverlaging of subsidies voor start-ups. Europees Commissaris Pierre Moscovici (Economische en financiële zaken) wees er dinsdag op dat Italië vorig jaar 65 miljard euro uitgaf aan rentebetalingen, ongeveer evenveel als op de begroting stond voor onderwijs. Door de schulden uit het verleden hebben de Italianen van nu minder mogelijkheden.

    Overigens is bij kalm economisch weer de omvang van de staatsschuld voor andere landen geen acuut probleem. Zolang Italië voldoet aan zijn rente-verplichtingen – en dat heeft het tot nog toe steeds gedaan – is er weinig aan de hand. Probleem zijn de vooruitzichten. De combinatie van enorme rentelasten en een kwakkelende economie roept vraagtekens op over de houdbaarheid en over de vraag of Italië een economische schok kan absorberen. Door die vraagtekens betaalt Italië nu al een hogere rente dan de meeste andere EU-landen. Als dat renteverschil stijgt, heeft dat meteen grote gevolgen. De overheid moet extra miljarden vinden om die hogere rente te kunnen betalen. Banken, die veel overheidsschuld op de balans hebben staan, moeten herkapitaliseren. Bedrijven en particulieren krijgen minder makkelijk krediet.

  7. Hoe belangrijk is de zwarte economie?

    Het blijft schatten. Volgens een officieel onderzoek vorig jaar werd in 2014 voor 111 miljard euro aan belastingen ontdoken. Een op de vier euro belasting wordt niet betaald. Volgens de econoom Cottarelli kwam de totale ontduiking in 2014 neer op 8 procent van het bbp. Hij rekent voor dat als de belastingontduiking sinds 1980 één procentpunt van het bbp lager zou zijn geweest, Italië nu een staatsschuld van 70 à 75 procent van het bbp zou hebben. Daarom is strijd tegen de belastingontduiking een belangrijke manier om de staatsschuld terug te brengen.

  8. Wat zijn de sterke punten van de Italiaanse economie?

    De economie, de achtste ter wereld, berust voor een groot deel op de maakindustrie (machines, auto’s, medicijnen, plastic, meubels, kleren, verwerkt voedsel). In Europa is alleen Duitsland op dit terrein groter dan Italië. De meeste bedrijven zitten in het noorden. Hun export is de locomotief voor andere economische sectoren. Zoals in de meeste andere rijke landen is de dienstensector het grootst. Die is goed voor ruim tweederde van het bbp, met toerisme als belangrijke bron van inkomsten. Vorig jaar ging daarin 39 miljard euro in om, 15 miljard meer dan Italiaanse toeristen in het buitenland uitgaven.

    • Marc Leijendekker