Opinie

    • Frits Abrahams

Die veren van Wim Kok

Die ideologische veren van Wim Kok dwarrelden na zijn dood weer op alsof ze nooit afgeschud waren. Ik zat er met mijn vrouw meewarig naar te kijken. Het moest voor een rechtgeaard PvdA-lid als zij een merkwaardig schouwspel zijn.

In vrijwel elke necrologie doken ze op, de roemruchte woorden die Kok in december 1995 uitsprak in zijn Den Uyl-lezing: „De oude ideologie blijkt niet in staat antwoord te geven op sleutelvragen van deze tijd. Het afschudden van ideologische veren is voor een politieke partij als de onze niet alleen een probleem, het is in bepaalde opzichten een bevrijdende ervaring.”

Bram Peper, toen burgemeester van Rotterdam, had die lezing geschreven. Hij legde de toedracht deze week in Trouw uit. Men had hem een concepttekst toegestuurd die hij had weggegooid. Daarna was hij aan een pleidooi begonnen voor een middenweg tussen staatscommunisme en roofkapitalisme. Hij ging met zijn versie naar het Catshuis waar Kok de tekst met de pen corrigeerde.

„De betekenis van de lezing is later overdreven”, zegt Peper in Trouw. „Het was niet de bedoeling de ideologie overboord te zetten. Het was zomaar een zinnetje. Het idee was: laten we er een beetje losjes mee omgaan.”

„Zomaar een zinnetje?”, vroeg mijn vrouw. Ze zei het nog rustig, maar dat kwam vermoedelijk doordat ze deze dagen van rouw niet wilde ontsieren met nodeloze ophef. „Wat zullen we nou hebben? Die man schrijft een tekst waar we 25 jaar later nóg over bakkeleien en nu is het opeens ‘zomaar een zinnetje’? Dat is wel érg makkelijk.”

Ik opperde vilein: „Als hij dat zinnetje ‘zomaar’ had weggelaten, was jullie misschien de neergang bespaard gebleven. En dan te bedenken dat dit zinnetje niet eens van hém was, maar van zijn toenmalige vrouw Neelie Kroes van de VVD die het thuis regelmatig gebruikte. Even geen onzinpraatjes, bedoelde ze ermee. Ik denk dat ze het vooral zei als Bram ook thuis in zijn pyjama de burgemeester uithing.”

„Ik weet het”, zei mijn vrouw, „maar wat heeft het voor zin om dit nu weer allemaal op te rakelen?”

„Omdat iedereen het erover heeft. Kijk naar oud-minister Bram Stemerdink die Kok postuum de mantel uitveegt: doordat hij de partij haar ideologische veren heeft ontnomen, staat ze er nu desastreus voor.”

„Heeft Marcel van Dam ook niet ooit zoiets gezegd of geschreven?”, vroeg ze.

Ik zocht het op in een oude columnbundel van Van Dam. Daar schrijft hij inderdaad op 23 november 2006: „Terugkijkend is de slijtage van het sociaal-democratische gedachtegoed begonnen bij het einde van het tijdperk-Den Uyl en het aantreden van Wim Kok.”

We zwegen even. Het uur van de waarheid – maar welke? – leek aangebroken. „Je kunt dat niet alleen Kok in de schoenen schuiven”, zei ze, „we hebben het allemaal laten gebeuren, het afschudden van die veren door de samenwerking met de VVD onder Kok en later onder Samsom. De leden keurden het toch ook goed? Jij trouwens ook.”

Ik kon het niet ontkennen. „Laten we er nu uit piëteit maar over ophouden”, sprak ik daarom barmhartig, „Kok was hoe dan ook een groot politicus en aan iedereen kleeft wel een smetje.”

„Dát zeker”, zei ze, en ze keek me ongepast doordringend aan.

    • Frits Abrahams