Het Nationale Museum van Benin wil zijn bronsschat terug

Benin National Museum

Het Nationale Museum van Benin heeft een facelift en een nieuwe expositie gekregen. Met dank aan het Smithsonian Museum in Washington. Nu hoopt het Nigeriaanse museum ook zijn bronsschat terug te krijgen.

Bronzen jachtluipaard uit Benin, 15 x 27 cm. Collectie British Museum Foto Markus Matzel/ Getty Images

In de helder verlichte vitrines op de begane grond van het museum in Benin City prijkt een handvol antieke pronkstukken van de bronsgieters van Benin, het voormalige koninkrijk (niet te verwarren met het huidige buurland, de republiek Benin). Hoe indrukwekkend de beelden ook zijn, de oorspronkelijke collectie van de traditionele monarch was honderden malen groter. Die werd eind negentiende eeuw gestolen door de Britten, toen zij het weerbarstige koninkrijk in wat nu het zuiden van Nigeria is, plunderden en onderwierpen.

Toch is het Benin National Museum een bezoek waard. Tien grote banieren door de expositie plaatsen de belangrijke momenten in de geschiedenis van het ooit zo machtige koninkrijk in perspectief en geven context aan de bronzen maskers, beelden en plaquettes. Op de eerste verdieping van het ronde gebouw geven levensgrote foto’s uit de collectie van hoffotograaf Chief S.O. Alonge (1911-1994) een beeld van de ontwikkeling van het moderne leven in Benin City vanaf de jaren veertig.

Als ik na de bezichtiging weer buiten sta, ben ik onder de indruk. In niets doet het me meer denken aan mijn eerdere bezoek aan dit museum, vijf jaar geleden. Toen trof ik een verstofte expositie waaraan sinds 1973 niets meer veranderd was. Ik herinner me van destijds vooral het lekkende dak, de nauwelijks leesbare tekstpanelen en de bedwelmende schimmellucht. En mijn verbijstering om in het hartje van Benin City, waar de trotse burgers nog altijd zo betrokken zijn bij de traditionele cultuur, een dusdanig veronachtzaamde uitstalling van het eigen erfgoed te treffen.

Voor het eerst stuurde het Smithsonian Museum een expositie naar het Afrikaanse continent

De facelift en de nieuwe tentoonstelling in het Nationale Museum van Benin zijn het resultaat van een samenwerking tussen de Nationale Commissie voor Musea en Monumenten (NCMM), de Nigeriaanse federale instantie die de nationale musea beheert, en het Smithsonian Museum voor Afrikaanse Kunst in Washington. Voor het eerst in de geschiedenis stuurde dit Amerikaanse museum een expositie naar het Afrikaanse continent.

Zwierige dandy’s

Het gaat om de foto’s van lokale fotograaf Alonge, een collectie van honderden glasplaatnegatieven die behalve het leven aan het hof van de Oba, de traditionele koning, in zijn fotostudio ook bijzondere momenten in het leven van diens onderdanen in Benin City vastlegde. De afdrukken op de expositie tonen zwierige dandy’s in pak met kaarsrechte scheidingen maar ook met koraalkettingen behangen traditionele chiefs. Het Amerikaanse museum kocht deze collectie in 2009 en maakte er een tentoonstelling mee die van 2014 tot 2016 te zien was in Washington, waarna deze definitief verhuisde naar het museum in de plaats van herkomst.

Senior-archivist Amy Staples van het Smithsonian was als co-curator nauw bij dit project betrokken. „Het was ons idee de collectie op deze manier te delen met de oorspronkelijke gemeenschap”, legt ze uit. „Maar al bij mijn eerste bezoek aan het museum in Benin viel dit in zo’n goede aarde, dat het vanaf het begin een gelijkwaardige samenwerking is geweest.”

Bronzen plaquette uit Benin, zestiende of zeventiende eeuw. Foto Trusties of the British Museum

Het Smithsonian droeg expertise en expositiemateriaal bij, maar het geld voor de verscheping van de tentoonstelling vanuit de VS kwam vooral van Nigeriaanse privé-donaties. De renovatie en de nieuwe inrichting op de begane grond kwamen financieel en organisatorisch voor rekening van het Benin National Museum. Toen de Alonge-tentoonstelling in 2017 in Benin opende, was Staples dan ook vooral „trots dat we dat samen voor elkaar hadden gekregen”.

Voor haar collega Theophilus Umogbai kwam de samenwerking als geroepen. De curator van het Benin National Museum had de verloedering van zijn museum met lede ogen aangezien, maar kon er weinig aan doen: „Er was altijd geldtekort en we moesten het doen met wat we hadden.” Het Amerikaanse initiatief triggerde de belangstelling in eigen land, waardoor daar de financiering loskwam. Daarnaast werden hij en drie collega’s overgevlogen naar de VS om daar te worden bijgespijkerd over de laatste conservatietechnieken en museale inzichten.

Wat Umogbai betreft hoort het erfgoed dat Britse soldaten in 1897 stalen thuis in Benin City: „Het staat gegrift in het geheugen van ons volk.” De curator maakt deel uit van de Benin Dialogue Group (zie kader), waarin Nigeriaanse belanghebbenden en Europese musea overleggen hoe het gestolen erfgoed voor een Nigeriaans publiek toegankelijk te maken.

De huidige tentoonstelling in zijn museum in Benin betreft weliswaar geen geroofde kunst, en afdrukken van fotonegatieven zijn makkelijker te delen dan bronzen beelden of ivoren koningshoofden. Toch wijst de succesvolle museale samenwerking de weg die kan worden bewandeld voor de terugkeer van de roofkunst, meent Umogbai: „Deel met ons jullie expertise en kennis, en retourneer dan alvast een deel van wat ons toebehoort, zodat we kunnen laten zien dat we het aankunnen.”

„Dit project is misschien een babystapje, maar wel een voorbeeld voor andere musea”, reageert zijn Amerikaanse collega Staples. „Je hoort vaak zeggen dat Afrika niet in staat zou zijn voor zijn kunstschatten te zorgen, maar dat lijkt me een koloniaal argument. Ik heb nu in Benin gezien dat het heel goed kan.”

Traditioneel leider

De huidige Oba van Benin, Ewuare de Tweede, laat geen mogelijkheid onbenut om te benadrukken hoezeer het paleis terugverlangt naar de geroofde kunst, in opdracht van zijn koninklijke voorgangers gemaakt. Als traditioneel leider heeft hij in democratische zin niet zo veel te zeggen, maar zeker in deelstaat Edo waarvan Benin City de hoofdstad is, weegt zijn woord nog zwaar.

Onlangs riep hij tijdens een officieel ontvangst in zijn paleis de internationale gemeenschap – regeringen en musea, maar ook mensen met roofkunst in hun privécollectie – op over de brug te komen en het in 1897 gestolen koninklijke erfgoed terug te geven. „Misschien krijgen we niet alles terug, maar dan op zijn minst een deel ervan”, zei de Oba, die voordat hij koning werd onder andere ambassadeur was in Italië. De Oba benadrukte verder hoe de repatriëring van het erfgoed zou bijdragen aan de economische ontwikkeling van Nigeria: „Het zou het voor toeristen de moeite waard maken om naar het Paleismuseum te komen, en mensen aantrekken van over de hele wereld.”

Vooral hamerde hij op de culturele waarde van de kunst voor zijn onderdanen, het Bini-volk. „Elk object vertelt vele verhalen”, zei hij in de ontvangstzaal, gezeten op een roodfluwelen zetel met bladgoud. „Ze getuigen van de nog altijd levende Bini-cultuur.” De bronzen hoofden op het bordes om hem heen, vervaardigd door de nazaten van de negentiende-eeuwse koninklijke bronsgieters die nog altijd op traditionele wijze het vak beoefenen in Igun Street, waren stille getuige van hoezeer wat in westerse musea achter glas staat, nog onderdeel is van het alledaagse hofleven in Benin.

Wie wil weten of de traditionele cultuur nog leeft in Benin City, hoeft er alleen maar de straat op te gaan en een voorbijganger te vragen naar de geschiedenis van het koningshuis. Grote kans dat de aangesprokene het rijtje Oba’s vanaf de dertiende eeuw kan opdreunen. Bij de kroning van de Oba twee jaar geleden liep de halve stad uit om haar nieuwe koning te aanschouwen.

Bronzen ruitersculptuur uit Benin, uit de collectie van het British Museum. Foto Ann Ronan Pictures/Getty Images

Het verhaal van de plundering van Benin in 1897 en de geroofde kunst kennen de Bini dan ook allemaal, en voor de meesten is het moeilijk te begrijpen dat het zo lang duurt voordat hun erfgoed terugkeert bij de rechtmatige eigenaar. De 62-jarige elektricien Adah Asemota wordt er steeds weer boos over. „Waar wachten jullie nog op? Waarom moeten wij zo lang wachten op de terugkeer van ons eigendom?”

Asemota groeide op vijf minuten van het koninklijk paleis op en herinnert zich hoe hij onder de indruk was toen zijn opa hem als jongetje voor het eerst naar het paleis meenam. De kunstschatten zijn onderdeel van zijn trots als Bini-man, zegt hij. „De witte man heeft er niets mee te maken”, zegt Asemota. „We hadden dit helemaal alleen gedaan.” De elektricien ging in zijn leven slechts één keer naar het museum, en zijn vier kinderen nam hij er ook nog nooit mee naar toe. De collectie veranderde toch nooit.

Vreemd concept

„Het concept van het museum is ons vreemd en stamt uit de koloniale tijd”, zegt Peju Layiwola. De kunstenares en docent kunstgeschiedenis aan de universiteit van Lagos is een vurig pleitbezorger van de repatriëring van de roofkunst. „De gestolen kunststukken belichamen onze filosofie. We staan anders tegenover dit erfgoed dan een westerling. Het Nigeriaanse publiek zal dan ook op een nieuwe manier erbij moeten worden betrokken en niet volgens het model dat de Europeanen aan ons hebben overgedragen.”

De kunstenares, een volle nicht van de huidige Oba en kleindochter van Oba Akenzua de Tweede die regeerde van 1933 tot 1978, groeide op met de verhalen over de plundering van Benin. Het was de aanleiding voor haar solo-expositie Benin1997.com: Kunst en de kwestie van restitutie, waarin ze de commerciële aard van de plundering aan de kaak stelde: een deel van de gestolen kunstvoorwerpen uit het koninklijk paleis werd ter plekke geveild onder de Britse officieren om de zogenaamde strafexpeditie tegen Benin te financieren.

Door de roof lijdt haar volk aan wat ze noemt ‘culturele amnesie’: „Het is voor een westerling makkelijker ons erfgoed te aanschouwen, dan voor een Nigeriaan. Wij moeten geld neerleggen voor vliegtickets en moeite doen om visa te krijgen. Zo kunnen we onze eigen kunstgeschiedenis niet eens bestuderen.”

Ze vindt leencollecties of de retour van replica’s maar halve maatregelen en noemt het pijnlijk dat in de discussie over de terugkeer van het erfgoed het westen de voorwaarden lijkt te willen bepalen: „Alsof ze nog altijd denken dat ze er wettelijke rechten op hebben. Het discours moet veranderen. Het uitgangspunt moet zijn dat de Europeanen hun plunderkunst teruggeven.”

Tot die tijd zal het gestolen erfgoed de Nigerianen blijven bezighouden, aldus de kunsthistoricus. Als voorbeeld noemt ze de cartoon die een Nigeriaanse student onlangs tekende in een kunstcatalogus, waarin Europa illegale Afrikanen onverbiddelijk terugstuurde naar Afrika, maar de illegaal verkregen kunst mocht blijven. Die ironie kan toch niemand ontgaan, meent Layiwola.

    • Femke van Zeijl