De Mi’kmaq krijgen hun mantel terug

Canada

Inheemse bevolkingsgroepen in Canada willen graag hun erfgoed terug. Politicus Bill Casey zorgde voor een wetsvoorstel. „Als wij het goede voorbeeld geven, kan dat worden nagevolgd.”

Mi’kmaq mantel uit Nova Scotia, Canada, circa 1850. Het origineel bevindt zich nu in Australië. Foto Rodney Start / Museums Victoria

Tijdens een bezoek aan een cultureel centrum van de Mi’kmaq-bevolking aan de Canadese oostkust was Bill Casey eind vorig jaar onder de indruk van een traditioneel gewaad, tentoongesteld in een glazen vitrine. Het kledingstuk van een opperhoofd, een donkerrode mantel uit de negentiende eeuw met fijn borduurwerk en bijpassende schoenen, vormt een luisterrijke link met de geschiedenis van de inheemse bevolkingsgroep in Millbrook, in de provincie Nova Scotia.

Casey, een politicus uit de regio, was dan ook verbaasd toen hij hoorde dat het pronkstuk een replica was. Het origineel is al sinds de negentiende eeuw in Australië, legde de conservator uit. Het Melbourne Museum verkreeg het gewaad uit de nalatenschap van Samuel Huyghue, een Britse verzamelaar die in de jaren 1840 verbleef onder de Mi’kmaq (uitgesproken mikmah) en het kledingstuk kocht van een handwerkster. Hij nam het later mee naar Australië.

„Het hoort bij de Mi’kmaq, het maakt deel uit van onze geschiedenis”, zegt de curator, Heather Stevens, een lid van de Millbrook First Nation. Diverse pogingen om het gewaad terug te halen naar Canada liepen de afgelopen jaren op niets uit, zegt ze telefonisch – ondanks het feit dat de mantel in Melbourne in een lade ligt opgeborgen. Stevens: „We hopen die tastbare connectie te hebben, zodat de Mi’kmaq-bevolking hier het kan waarderen, aanraken en voelen.”

Ik wilde kleine inheemse groepen een stem geven

Bill Casey

Niet zonder gevolgen

De bezichtiging van het gewaad door Casey is niet zonder gevolgen gebleven. De volksvertegenwoordiger, lid van het Canadese parlement namens het kiesdistrict waarin Millbrook ligt, was zo begaan met het verhaal dat hij het initiatief nam voor een wetsvoorstel om inheemse bevolkingsgroepen te helpen bij de restitutie van inheemse voorwerpen in het bezit van musea. Dat wetsontwerp, waarin wordt opgeroepen tot een nationale strategie om inheemse objecten terug te geven aan gemeenschappen van herkomst, kan op brede steun rekenen in het parlement. Mogelijk wordt het in de komende maanden aangenomen.

„Ik wilde kleine inheemse groepen als Millbrook een stem geven”, zegt Casey door de telefoon vanuit de Canadese hoofstad Ottawa, over de gemeenschap van ongeveer tweeduizend mensen. „Zij hebben niet de middelen om zoiets te doen. Er is momenteel geen hulp beschikbaar voor de repatriëring van inheemse objecten. Maar inheemse mensen willen hun objecten graag terughalen.”

Casey hoopt dat die steun er wel komt, zodat inheemse groepen objecten kunnen identificeren – vooral als blijkt dat een voorwerp op onethische of illegale wijze is verkregen. „Ik roep de regering op een strategie te ontwikkelen om daarbij te helpen”, zegt Casey. Hij benadrukt dat hij daarbij een aanpak van samenwerking voor ogen heeft: er is geen sprake van „confiscatie”.

Musea in Canada hebben terughoudend op het initiatief gereageerd. Volgens John McAvity van de Canadian Museums Association is het wetsvoorstel zonder inbreng van zijn organisatie ingediend. We zijn niet tegen repatriëring van objecten, zegt hij – integendeel, musea in Canada geven al jarenlang voorwerpen terug aan inheemse groepen. Een officiële strategie zou echter kunnen leiden tot claims om voorwerpen op te eisen.

Zo beschikt het Canadian Museum of History in Ottawa over een departement van Repatriation and Indigenous Relations. Het museum, met een collectie van duizenden inheemse kunstwerken, tienduizenden voorwerpen en miljoenen archeologische items, is voortdurend in gesprek met inheemse groepen over teruggaven. Volgens het beleid van het museum, dat sinds begin jaren negentig van kracht is, komen menselijke resten en voorwerpen van spirituele waarde altijd in aanmerking voor restitutie, verklaart Nadja Roby, hoofd van de afdeling.

Maar ook voor andere voorwerpen die worden teruggevraagd worden voorzieningen getroffen, zoals permanente bruikleen of gedeeld eigendom, zegt Roby. „En ook als ze niet in die categorieën vallen, vinden we altijd een manier om objecten ter beschikking te stellen of te delen met de gemeenschap. We hebben een lange geschiedenis van samenwerking met inheemse bevolkingsgroepen. Onze betrekkingen met inheemse gemeenschappen zijn belangrijk voor ons. Ze maken deel uit van de evolutie van het werk van het museum.”

Samenwerking

De Canadese aanpak met betrekking tot restitutie van inheems cultureel erfgoed is er dan ook een van consultatie en samenwerking, zegt Roby. „Wij zijn ervan overtuigd dat we de gepaste mechanismen hanteren. We voelen ons op ons gemak met repatriëring, we doen het al heel lang.”

Niettemin hoopt Heather Stevens dat het wetsvoorstel als model kan dienen voor de teruggave van inheemse objecten, ook internationaal. „Als wij het goede voorbeeld geven, kan dat worden nagevolgd”, zegt ze. „Daarbij willen we voorwerpen niet uit de handen van musea rukken, maar vragen om objecten terug te mogen brengen waar ze oorspronkelijk vandaan komen. De meeste mensen in de wereld kunnen het verlangen begrijpen om een deel van je geschiedenis binnen handbereik te hebben.”

Wat het kledingstuk van de Mi’kmaq betreft heeft het initiatief van Casey overigens al resultaat gehad: na tussenkomst van de ambassadeur van Australië in Canada heeft het Melbourne Museum zich bereid getoond het gewaad te retourneren. Stevens voert er besprekingen over met een vertegenwoordiger van het museum, een jonge vrouw met Aboriginal-achtergrond. „Het is een relatie tussen inheemse betrokkenen”, zegt Stevens trots. „We delen een begrip voor het verlangen om terug te krijgen wat ons toekomt.”

    • Frank Kuin