Kies onthult wat reuzenhert at

Paleobiologie Waar nu de Noordzee is, graasde 42.500 jaar geleden een reuzenhert. Hij at veel zeealsem, blijkt uit resten in een kies gevonden.

Tekening van een reuzenhertman. Het gewei kon uiteindelijk wel 3,5 meter breed worden. Illustratie Roman Uchytel/Science Photo Library

Diep in de groeven van een fossiele kies van een reuzenhert zijn plantenresten gevonden die verraden wat het dier zo’n 42.500 jaar geleden heeft gegeten – en misschien ook wel waarom reuzenherten kort na de laatste ijstijd zijn uitgestorven. Nog nooit eerder is het dieet van deze soort op basis van zulk direct bewijs gereconstrueerd. Dat schreef een groep Nederlandse en Deense paleobiologen op 8 oktober in het Journal of Quaternary Science.

Het reuzenhert (Megaloceros giganteus) was een iconisch ijstijdhert dat voorkwam van Europa tot West-Azië. De dieren waren ongeveer zo groot als de elanden van nu, maar met veel imposantere geweien. Die konden wel 3,5 meter breed worden.

Een amateur-fossielenzoeker heeft de hertenkies gevonden aan het strand van de Zandmotor, een kustversterkingsproject in Zuid-Holland. De Zandmotor bestaat uit opgespoten zand en grind uit de nabije Noordzeebodem. Tijdens de ijstijd was daar geen zee maar land. Het zeeniveau lag zo’n 120 meter lager dan nu, doordat veel van het water op aarde vast lag in de enorme ijskappen. Tussen het huidige Nederland en Groot-Brittannië lag een vruchtbare steppe waar mammoeten, wolharige neushoorns en reuzenherten graasden.

Niemand wist wat die dieren daar precies aten. Van grote, uitgestorven grazers van Siberië is het dieet beter bekend: daar duiken soms vrijwel complete dieren op uit de permanent bevroren bodem. De magen en darmen van mammoeten en wolharige neushoorns bevatten vooral gras. Reuzenherten zijn daar nooit gevonden.

„In de Noordzee vind je alleen botten en kiezen en geen herkenbare inhoud van maag en darm”, vertelt Bas van Geel, paleo-ecoloog aan de Universiteit van Amsterdam en hoofdauteur van het artikel. „In ongeveer de helft van de kiezen vind je nog samengeperste, gekauwde plantenresten. De bladeren en stengels zijn onherkenbaar, maar het stuifmeel is vaak goed bewaard.” Van Geel en zijn collega’s wisten het stuifmeel op naam te brengen en te dateren.

Kan dat stuifmeel daar niet later terecht zijn gekomen? „Wat we uit de kiezen haalden was onmiskenbaar gekauwd”, antwoordt Van Geel. „Ik heb geen aanwijzingen voor contaminatie met ouder of jonger materiaal. En onze koolstofdatering komt overeen met wat we weten over de ouderdom van de opgebaggerde lagen.”

Het stuifmeel in de onderzochte kies bestond voor 65 procent uit Artemisia norvegica, een verwant van onze zeealsem, en voor 27 procent uit andere planten van dezelfde plantenfamilie (Asteraceae). Van Geel vond ook kleine beetjes stuifmeel van grassen, wilg, weegbree en zonneroosje, allemaal planten van de ijstijdsteppe. Stuifmeel in oude bodemlagen liet eerder zien dat alsem in die tijd hooguit 5 tot 15 procent van het stuifmeel leverde. Veel minder dan de 65 procent in de kies. Dat kan betekenen, speculeren de onderzoekers, dat het reuzenhert er een voorkeur voor had.

Alsem bevat veel kalk, vergeleken met andere planten. Dat inspireerde Van Geel en zijn collega’s tot een hypothese. „De reuzenherten hadden veel kalkhoudend voedsel nodig”, vertelt hij. „Met name de mannetjes, die elk jaar een gigantisch gewei kregen. Tijdens de ijstijd zat er volop kalk in de bodem, omdat er veel erosie was door de werking van ijs, wind en smeltwater. Daardoor kwam er steeds verse, kalkrijke bodem beschikbaar en groeiden er ook veel kalkminnende – en dus kalkhoudende – plantensoorten.”

Maar toen werd het warmer en smolten de ijskappen. De steppe liep deels onder water; de rest raakte begroeid met struiken en bos. De bodem werd stabieler en er vormde zich een laag dood plantenmateriaal. Dergelijke bodems zijn veel minder kalkrijk. Zo verdwenen zo’n 10.000 jaar geleden de kalkminnende planten uit West-Europa – en daarmee ook de reuzenherten.

„Ten oosten van de Oeral zijn reuzenherten ruim 3.000 jaar later uitgestorven”, vertelt Van Geel. „Waar ze nog doorleefden, vind je een kalkrijke bodem en steppeachtige vegetatie.” Uiteindelijk gingen ze ook daar ten onder, waarschijnlijk door verlies aan genetische diversiteit – en door jacht.

Er is veel waardering voor de amateurpaleontologen die dit werk mogelijk maken. „Honderden verzamelaars gaan op de stranden op ‘mammoetjacht’”, vertelt Dick Mol, paleontoloog van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en mede-auteur van het artikel. „Dankzij hen zijn er veel belangrijke collecties aangelegd en die zijn doorgaans ook toegankelijk voor wetenschappers.”

    • Nienke Beintema