Opinie

    • Paul Scheffer

Schrijven aan een credo voor Kok

De laatste keer dat ik hem zag ging het over zijn memoires. Wim Kok had een paar mensen om advies gevraagd. Ik merkte al snel dat hij niet zo’n zin had om terug te blikken. Mijn suggestie van een mogelijke auteur werd afgewimpeld: nee, die journalist had hem jaren geleden verweten de sociaal-democratie in de uitverkoop te hebben gedaan. Sowieso bleek dat hij een diepe argwaan jegens de media had opgebouwd.

Toen ik in 1986 ging werken bij het wetenschappelijk bureau van de PvdA was Kok net Joop den Uyl opgevolgd. Ik leerde hem wat beter kennen tijdens het werk aan een rapport over de vernieuwing van de sociaal-democratie, Bewogen beweging. Het is nu moeilijk voorstelbaar: de urenlange vergaderingen over komma’s. Zelden zoveel rood aangelopen gezichten gezien.

Ooit waren we voor de zoveelste vergadering op weg naar de Witte Bergen, een restaurant met vergaderzalen aan de A1 nabij Hilversum. De oude BMW van zijn rechterhand Arend Hilhorst had weer eens kuren. Zo liep ik met Kok in de vroege ochtend langs de snelweg de auto aan te duwen. Hij keek me even van opzij aan: „Nu maar hopen dat er geen Telegraaf-journalist langskomt.”

Voor wie het wilde zien ging achter de norse pose een mengeling van verlegenheid en zelfspot schuil. Er speelde vaak een verscholen glimlach rond zijn mond. Zijn rijzige gestalte gaf hem iets onaantastbaars, je voelde dat die gegroefde kop nogal wat had gezien. Kok kon me op een geheel eigen manier ontroeren: hij wist zich nooit helemaal raad met zijn grote handen.

Wim Kok verstond de kunst om dicht bij zijn kern te blijven, altijd zoekend naar een vergelijk voorbij de verzuiling. De vakbondsman die katholieke en socialistische bonden bijeen bracht en de staatsman die de liberalen en socialisten in een kabinet verenigde. Kok leidde de eerste regering zonder confessionelen, hij was de premier van de ontzuiling.

Ik vond de praktische hervormingszin van Kok een verademing na Den Uyl

We hadden het in die jaren vaak over Kok en ‘het grote verhaal’, Arend Hilhorst en ik. Vlak voor de Europese verkiezingen van juni 1989 moest hij volgens ons een markante toespraak houden. We probeerden een tekst te schrijven waarin het ging om de neoconservatieve kritiek op de verzorgingsstaat en de groene kritiek op het vooruitgangsdenken. Kok keek een beetje somber – teveel grote woorden – maar liet zich overtuigen.

Ik zei dat het wellicht mooi zou zijn om het verhaal te eindigen met een persoonlijk credo. Iets in de trant van: waarom ben ik de politiek ingegaan? Dat leek Kok wel wat en hij vroeg om suggesties. Ik toog aan het werk in de stellige overtuiging dat hij er later een heel eigen tekst van zou gaan maken.

De kern van het credo was: „Praktische hervormingsgezindheid, daar wil ik toe bijdragen. Niet met een slecht geweten, zo van ik zou wel anders willen, maar het kan nu eenmaal niet. Nee, aan deze keuze ligt geen gelatenheid ten grondslag, maar de principiële overtuiging dat hervormingen alleen succesvol zijn als ze gepaard gaan met de speurtocht naar een maatschappelijk vergelijk.” Hij veranderde geen letter.

Ik vond de praktische hervormingszin van Kok een verademing na Den Uyl. Die laatste rekende zichzelf tot ‘het zondige ras der reformisten’. Kok hoorde daar ook bij, maar had geen zin om dat reformisme als zonde te beschouwen. En inderdaad: waarom altijd dat slechte geweten? De sociaaldemocratie was een alternatief, niet hét alternatief. Kok kwam voor mij het dichtst bij de houding van de oude Drees.

Het paarse avontuur begon sterk, maar eindigde acht jaar later in onmacht. Het eerste kabinet onder Kok bracht veel tot stand, het tweede kabinet stelde gaandeweg teleur. In maart 2002 schreef ik over die laatste regering een artikel ‘De verloren jaren van Kok’. In een tijd van overvloed werd de publieke sector verwaarloosd. Ik noemde onder meer onderwijs, gezondheidszorg en integratie. Mijn conclusie: „Het is Wim die Pim heeft gebaard”.

Lees ook het opiniestuk van Paul Scheffer na het aftreden van Kok over Srebrenica: Schuld door nalatigheid

Toen dat kabinet kort voor de verkiezingen viel was ik kritisch over de omgang met het drama-Srebrenica: „De redenering van Kok, die sprak over verantwoordelijkheid en niet over schuld voor de massamoord, is werkelijk problematisch.” Ik vond de term die Joris Voorhoeve – minister van Defensie tijdens de val van de enclave – gebruikte beter: „schuld van de nalatigheid”.

Na die avond over zijn memoires in Den Haag reden we terug naar Amsterdam. Ik vroeg hem op de achterbank naar zijn jeugdjaren. Kok begon vol liefde te vertellen over het huis waarin hij was opgegroeid: de woonkamer met een bakelieten radio van Philips. Zijn geheugen was heel goed. Hij wist als geen ander waar hij vandaan kwam. Zo wil ik me Wim Kok herinneren.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.

    • Paul Scheffer