Foto Merlijn Doomernik

‘Mensen zoals ik krijgen een bepaalde plek toegewezen’

Irma van Leerdam (51) is laaggeletterd, maar worstelde zich desondanks door tal van opleidingen. Al blijft lezen een dagelijks gevecht voor haar. „Zeg ik iets meteen, in mijn eigen woorden, dan kom ik lomp over.”

Voorheen zei Irma van Leerdam uit Amersfoort snel sorry. Bij onenigheid, en zelfs als ze ergens onterecht van beschuldigd werd. Liever maakte ze excuses dan dat ze zich verdedigde. „Ik kan niet zo snel de juiste woorden vinden. Zeg ik meteen wat terug, dan gaat het gesprek vaak de verkeerde kant op.”

Laaggeletterdheid werkt ook door in de mondelinge communicatie, wil ze duidelijk maken. Als je haar hoort, zou je dat niet zeggen. Ze praat honderduit over haar leven en formuleert heldere zinnen. Geen jargon, geen wolligheid, maar klare taal. Haar probleem zit ’m in wat ze níét zegt. En de angst voor een woordenstrijd. Vandaar dat ze soms de joker inzet: dan zegt ze sorry, terwijl dat helemaal niet nodig is. Als je woordenschat beperkt is, sta je snel met de mond vol tanden.

Bij leraren kwam ik goed uit mijn woorden. Misschien maakten ze zich daardoor geen zorgen

Vroeger had ze daar meer last van dan nu. Dankzij vele lessen en hulp van een taalmaatje (een vrijwilliger die laaggeletterden coacht) kroop ze uit haar schulp. Als Taalambassadeur van de Stichting Lezen & Schrijven spoort ze nu ook anderen daartoe aan. Er zijn 2,5 miljoen Nederlanders van zestien jaar en ouder die niet kunnen lezen, schrijven of rekenen op het eindniveau van vmbo of mbo-2/3. Voor hen zijn activiteiten als reizen met het openbaar vervoer, verkeersborden volgen, formulieren invullen en het lezen van bijsluiters een dagelijkse last.

Doen alsof

Van Leerdam had de pech dat een chronische ziekte opspeelde toen zij in groep 4 zat. Ze liep toen een forse achterstand op, kon die niet meer inhalen en moest naar een speciale school. Iedereen stroomde daar op zijn eigen niveau in. Daar werd ze de vergeten leerling. „We kregen een boek, een schrift, en dat was het dan. Individueel onderwijs betekende daar vooral: niet klassikaal. Er werd niet echt getoetst. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik hoefde ook nooit hardop te lezen. Als we voor onszelf moesten lezen, deed ik vaak alsof. Wat ik kon, deed ik. Wat niet per se hoefde, deed ik niet. Bij leraren kwam ik goed uit mijn woorden. Misschien maakten ze zich daardoor geen zorgen. Pas toen ik naar de middelbare school ging viel op hoe slecht ik in lezen en schrijven was.”

Lees ook: Laaggeletterdheid kost samenleving een miljard

Op het lbo, de praktisch georiënteerde voorloper van het vmbo, liep ze haar taalachterstand nauwelijks in. In haar baan als schoenmaker ondervond ze daar ook nog niet de gevolgen van. Ze leerde steunzolen en ander medisch schoeisel maken, een ambacht waar ze goed in werd. Maar de arbeidsomstandigheden begonnen haar tegen te staan. Overal stof, schoensmeer en lijm. Altijd werkkleding aan. Lawaai. Als veertiger doorliep ze daarom de mbo-opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) en stroomde daarna door naar Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH), een hbo-opleiding.

„SPW lukte nog, dat was praktijkgericht. Maar bij SPH kom je er niet met twee, drie bladzijden lezen per dag. Ik belde de blindenbieb en vroeg of ze mijn studieboeken wilden inspreken. Dat wilden ze niet. Maar ik ben blind voor woorden, zei ik toen. Vervolgens hebben ze toch een aantal studieboeken ingesproken. Voor schriftelijke opdrachten kreeg ik extra tijd.”

Appen is vermoeiend

In het besef dat het zo niet langer kon, speelde ook de digitalisering een rol. Hoe dominanter het internet, hoe gehandicapter Van Leerdam zich voelde. „Ik omzeil e-mail nog steeds. En als ik app, begrijpen mensen niet altijd wat ik bedoel. Ik spreek liever iets in en stuur een voice message. Maar dan krijg ik vaak de reactie: ‘Ik zit nu op mijn werk, ik kan even niet luisteren.’ Lang heb ik helemaal niet geappt. Nu heb ik mijn eigen regels: ben ik moe, dan kijk ik niet meer op dat schermpje. Soms kijk ik wel wie er appt, maar lees ik het bericht later. Ik kies dus mijn momenten, anders raak ik uitgeput.”

De opluchting na het voltooien van haar SPH was van korte duur. Taal bleef haar hinderen. Bij een zorginstelling bestond een groot deel van haar werk uit typen. „Dat ging te langzaam en collega’s zeiden steeds: zo kun je dat niet opschrijven. Dan moest er een woord als ‘eventueel’ in. Alles moest zo opgeschreven worden dat we er niet op gepakt konden worden. Ik kan ook niet schrijven als er gepraat wordt. Ik moet me afsluiten. Dat kan ik goed, maar ik sloot me ook weleens af op momenten dat het niet kon.”

Grote borden waarop namen en tijden verspringen vind ik lastig. Net als ondertiteling op tv

Nu, in een gesprek een-op-een, kan ze haar ei kwijt. Maar in een groep gaat haar dat slecht af. „Mensen walsen over mij heen. Ik heb dan niet de woorden om iets terug te zeggen. Of het duurt langer voordat ik die woorden heb.

„Zeg ik iets meteen, in mijn eigen woorden, dan ben ik lomp en kort door de bocht. Praten op een maatschappelijk verantwoorde manier blijft lastig. Doe ik het op mijn manier, dan voelt iedereen zich aangevallen.”

Administratie is geen hobby. „Ik word er soms onzeker van. Ik krijg hulp, maar doe ook veel zelf. Vroeger had ik er trouwens minder problemen mee. Toen kon je altijd bellen met organisaties. Dan legden ze hun brief uit en kon ik weer verder. Nu verwijzen ze je door naar een website. Als ik het adres intik dat ze noemen, kom ik er vaak niet.”

En zo zijn er nog meer ongemakken. „Op de TomTom kijk ik niet naar plaatsnamen, maar naar afritnummers. Noemt iemand een straatnaam, dan vraag ik hoe de omgeving eruitziet. Ik zie op tegen vakantie in het buitenland. Dan moet je Engels kunnen. In Nederland gaat het trouwens ook gauw mis. Een treinreis moet ik goed voorbereiden. Mis ik een trein, dan klopt het schema niet meer. Moet ik dat weer opnieuw uitzoeken. Grote borden waarop namen en tijden verspringen vind ik lastig. Net als ondertiteling op tv. Dan lees ik een paar woorden en dan zijn de regels alweer uit beeld.”

Bijbelstudie

Werken in een talige omgeving vreet energie bij Irma van Leerdam. „De extra tijd die ik voor lezen en schrijven nodig heb, moet ik steeds inhalen.” Daar wordt ze erg gespannen van en mede daarom zit ze nu een tijdje thuis. „Zodra collega’s doorkrijgen dat ik moeite heb met taal, gaan ze anders met mij om, anders met mij praten. Op mijn werk keerde ik in mijzelf. Je past niet in het team, zeiden ze. Heel demotiverend. Mensen zoals ik krijgen in deze maatschappij een bepaalde plek toegewezen. Laaggeletterd, het woord zegt het al.”

Betere begeleiding in haar jeugd had Van Leerdam veel leed kunnen besparen. In haar rol als taalambassadeur heeft ze een advies voor leraren. „Laat weten dat het taalprobleem niet verborgen hoeft te worden, geef een kind meer tijd en zorg dat niemand er vervelend over doet.”

Lees ook het interview met Lenie Valk: ‘Als laaggeletterde wil je gewoon iemand aan de lijn’

Hoe nuttig die acceptatie is, ervaart ze nu in de kerk. „Daar doe ik met een clubje aan bijbelstudie. We lezen om de beurt voor. Ik heb gezegd dat ik moeilijk lees. Nu hoef ik niet meer bang te zijn dat het misgaat.”

Ook in discussies zet Van Leerdam stappen. ‘Sorry’ zegt ze alleen nog als het niet anders kan. Niet om een uitwisseling van argumenten te voorkomen. „Ik kom even niet op het woord, zeg ik dan. Ook vraag ik of ik er later op terug mag komen.”

Daarin zit de kern van haar advies aan andere mensen die laaggeletterd zijn: „Maak bekend dat je moeite hebt met taal. Daarmee voorkom je veel problemen.” Informeer bij de verkoper als je een aanbieding niet begrijpt, vraag de apotheker nog eens om de bijsluiter uit te leggen. Neem niet zomaar die pillen in. En als je er met internetbankieren niet uitkomt, ga dan niet zelf zomaar wat doen. „Vraag hulp bij je taalprobleem, anders dwaal je van deze maatschappij af.”

    • Steven de Jong