‘Je kunt je afvragen: moet de kerk wel heel groot zijn?’

CBS-onderzoek Voor het eerst zijn er meer Nederlanders niet dan wel gelovig. In de EU is dat slechts bij vier andere landen het geval.

Al decennia kalft het percentage gelovigen af in Nederland, maar opgeteld vormden de geloofsgroepen steeds een meerderheid van de bevolking. Tot nu. Voor het eerst laat onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek zien dat meer Nederlanders níet dan wel gelovig zijn: 50,7 procent. 49,2 procent rekent zich tot een godsdienstige groepering.

Generaties

Verrassend is het cijfer niet. In 2010 zei nog 55 procent van de Nederlandse bevolking vanaf 15 jaar tot een godsdienstige of levensbeschouwelijke groep te behoren, in 2016 was hun aandeel al gezakt tot iets meer dan de helft. Bijna elke generatie is minder religieus dan de voorgaande. Het minst gelovig is de groep 18- tot 25-jarigen: van hen hangt tweederde geen geloof aan.

In Europa

Vergelijken is moeilijk, maar met een ongelovige meerderheid neemt Nederland een bijzondere plek in. In de Europese Unie komen alleen Tsjechen, Zweden, Esten en Fransen als minder religieus uit de bus.

Kleiner nog dan de groep gelovigen is de groep die diensten bijwoont. Ook dat aandeel nam af: 15,5 procent bezoekt ten minste één keer per maand de kerk, moskee of synagoge.

Veruit de meeste gelovigen zijn christelijk. Iets minder dan een kwart van de bevolking noemt zichzelf katholiek. Een op de zeven is hervormd, protestants of gereformeerd. Alleen bij de islam zag het CBS de aanhang toenemen: van 4,5 naar 5,1 procent in vijf jaar. Van alle moslims gaat minder dan de helft maandelijks of vaker naar de moskee.

Correctie (24 oktober 2018): Volgens het CBS noemt 49,2 procent van de ondervraagden zich gelovig, niet 49,3 procent, zoals hier eerder stond. Dat de genoemde percentages niet optellen tot 100 procent, komt door afrondingsverschillen.

    • Rik Rutten