Sober sociaal-democraat die liberaal regeerde

Wim Kok (1938-2018)

Wim Kok groeide van nurkse schatbewaarder uit tot populair premier. Met Paars leidde hij het land door een tijd van ongekende economische voorspoed. Srebrenica zou zijn grootste trauma blijven.

Foto Leo van Velzen

Als Wim Kok begon te trommelen op het tafelblad, dan wist je dat je snel moest gaan afronden. De vingers waren een teken van ernstig ongeduld – Wim Kok, zo kon iedere gesprekspartner je vertellen, had aan weinig zaken zo’n hekel als eindeloos gepalaver of zinloze discussies. Hij was een man van feiten, niet van vergezichten: zakelijk, rationeel, voorzichtig en legendarisch om zijn nurksheid. ‘De rector van het jongensgymnasium’, zoals oud-PvdA-voorzitter Felix Rottenberg hem ooit omschreef.

Acht jaar (1994-2002) diende Wim Kok, die zaterdag op 80-jarige leeftijd overleed, als minister-president van Nederland. Hij was ook twaalf jaar vakbondsvoorzitter, zestien jaar PvdA-leider en vijf jaar minister van Financiën. Maar zijn naam zal vooral onlosmakelijk verbonden blijven aan ‘Paars’: de eerste coalitie sinds 1918 zonder confessionelen, die in 1994 aantrad onder zijn leiding. Zó onlosmakelijk, dat zijn twee kabinetten de geschiedenis zijn ingegaan als Paars I en II, niet als Kok I en II.

Als premier leidde Kok het land door een tijd van ongekende economische voorspoed en consumptiedrift – iets waar hij zelf weinig mee op had. Tijdens avondlijke overleggen op het Catshuis serveerde hij bij voorkeur stamppot met worst. Het grootste deel van zijn leven bewoonde Kok dezelfde bescheiden doorzonwoning in de Ank van der Moerstraat in de Amsterdamse wijk Slotervaart die hij in de jaren zeventig met zijn jonge gezin had betrokken.

Wim Kok was een strenge, calvinistische sociaal-democraat in de traditie van Willem Drees en Joop den Uyl. Maar anders dan zijn twee voorgangers, die regeerden in tijden van wederopbouw respectievelijk oliecrisis, hoefde hij als premier zijn soberheid nooit in de praktijk te brengen. Sterker nog, hij zette het liberale beleid uit de jaren tachtig van privatisering en deregulering voort. Er kwam lastenverlichting, Schiphol mocht groeien, de winkels hoefden niet meer dicht om zes uur, beperking van de hypotheekrenteaftrek was onbespreekbaar.

Hoewel zijn populariteit tijdens zijn premierschap naar grote hoogten steeg, oogde Kok altijd een beetje als een anachronisme. Terwijl het land massaal aan het beleggen sloeg, een gsm aanschafte, een tweede auto kocht en drie keer per jaar op vakantie ging, bleef hij een man van broodjes kaas en karnemelk.

Misschien dat het hem daarom zo kwalijk genomen werd dat hij later, als commissaris bij multinationals, akkoord ging met excessieve salarisverhogingen: hoe kon zo’n sobere, spaarzame sociaal-democraat zijn zegen geven aan het grote graaien in het bedrijfsleven?

Koks belangrijkste project, Paars, werd in 1994 ervaren als een grote politieke doorbraak. De samenwerking van PvdA, VVD en D66 gold als de symbolische voltooiing van de ontzuiling van Nederland die dertig jaar eerder was ingezet. Dat was vooral een etiket dat zijn coalitiepartners Hans van Mierlo (D66) en Frits Bolkestein (VVD) op zijn kabinetten plakten: Kok zelf was geen politicus die dacht in historische opdrachten. Hij wilde gewoon op een fatsoenlijke en degelijke manier het land besturen.

Niettemin gold met name Koks eerste kabinet als fris, modern en progressief. Des te wranger was het voor hem dat hij in 2002, na de Fortuyn-revolte, zou afzwaaien als symbool van Oude Politiek. Ineens stond Wim Kok voor alles waar de op drift geraakte kiezer vanaf wilde: regentendom, achterkamertjes, wachtlijsten in de zorg, het ontkennen van de problemen rond islam en immigratie.

‘Beter om bescheiden te winnen’

Wim Kok was de laatste Nederlandse premier die gevormd was door de Tweede Wereldoorlog. Net als zijn voorganger Ruud Lubbers (CDA) behoorde hij tot de ‘stille generatie’: opgegroeid tijdens de Duitse bezetting, maar te jong voor collaboratie of verzet. Kok en zijn leeftijdgenoten in de politiek hanteerden, anders dan de luidruchtige generatie van babyboomers die vanaf de jaren zeventig de toon zette, een behoedzame en ingetogen stijl – en hij was er de kampioen van.

Hij werd geboren in 1938, als zoon van een timmerman in het Zuid-Hollandse Bergambacht. Na de hbs studeerde hij bedrijfskunde aan Nyenrode, maar in zaken ging hij nooit. Kok belandde bij de vakbond, waar hij snel carrière maakte. In 1973 werd hij, 34 jaar oud, voorzitter van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). De socialistische werknemersorganisatie ging in 1976 met de katholieke vakcentrale NKV op in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). In al zijn twaalf jaren als voorzitter weigerde hij een auto met chauffeur: Kok bestuurde zijn Opel Kadett zelf.

Als vakbondsvoorman groeide Kok in de jaren tachtig uit tot een opponent van de bezuinigingskabinetten van Ruud Lubbers. ‘Ik pik het niet’, stond op de button die hij droeg tijdens een ambtenarenprotest tegen bezuinigingen. Maar hij was ook één van de geestelijk vaders van het Akkoord van Wassenaar (1982), de uitruil tussen werkgevers en vakbonden over loonmatiging en arbeidstijdverkorting die de basis zou vormen voor de grote economische bloei in de jaren negentig. Kok begreep al vroeg dat hij aan de onderhandelingstafel meer voor elkaar kon krijgen dan met staken en demonstreren.

En onderhandelen kón Kok. Zijn methode zou hij later typeren als ‘achteraan beginnen’: bedenken waar je uit wil komen, en vervolgens in kleine stapjes terugredeneren. Zijn gesprekspartners konden er gek van worden, maar hij had er succes mee – ook later als politicus. Wat Kok ook leerde in zijn vakbondsjaren: in de Hollandse polder moet je nooit te uitbundig een overwinning vieren, want je komt elkaar altijd weer tegen. „Het is beter bescheiden te winnen”, zei hij eens, „anders krijg je het hard en soms onverwacht terug.”

Lees ook: Wie Wim Kok ziet, ziet de tijdgeest
1999-03-12 10:02:27 premier Kok ontvangt vrijdag op het Catshuis de Palestijnse leider Yasser Arafat.

Strenge, nurkse schatkistbewaarder

In 1986 volgde, na lang wikken en wegen, de overstap naar de politiek. Joop den Uyl, bijna twintig jaar PvdA-leider maar nu in zijn nadagen, had hem uitverkoren als zijn opvolger. Plichtsgetrouw als Kok was, zwichtte hij uiteindelijk voor Den Uyls avances. Na de Tweede Kamerverkiezingen van 1986 nam hij de leiding van de PvdA-fractie over, die toen nog 52 zetels telde. Hij ging oppositie voeren tegen het centrum-rechtse kabinet-Lubbers II.

Koks eerste jaren in de politiek waren een zoektocht, ook al liet hij daar naar buiten toe weinig van merken. Hij moest wennen aan het politieke handwerk, de druk van de media en het morele gelijk dat de PvdA-fractie na bijna een decennium in de oppositie aan haar zijde meende te hebben. Kok was maar al te blij dat hij in 1989 kon gaan regeren.

Als vicepremier en minister van Financiën in het derde kabinet-Lubbers wilde hij vooral laten zien dat socialisten geen potverteerders waren. Hij ontpopte zich tot een strenge, nurkse schatkistbewaarder, ook gedwongen door de omstandigheden: economisch zat het tegen, de financiële erfenis van Lubbers II bleek minder florissant dan het leek.

In de zomer 1991 belandde Kok in de grootste crisis van zijn politieke loopbaan tot dan toe. Onder druk van Lubbers stemde de PvdA-top, Kok voorop, in met een ingrijpende bezuiniging op de arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO. Achterban en partijkader voelden zich compleet overvallen en kwamen in opstand. In de PvdA-top heerste chaos en paniek. Kok werd zo radeloos van de massale weerzin tegen zijn persoon dat opstappen voor hem de enige uitweg leek.

Uiteindelijk verzon de PvdA-top een list. Op een buitengewoon partijcongres in september 1991 stelde Kok de vertrouwensvraag: als de leden ‘nee’ zeiden tegen de WAO-ingreep, was hij weg. Een diepe persoonlijke crisis werd zo het begin van Koks herrijzenis: vechtend voor zijn politieke leven bleek de norse, tot dan toe weinig communicatieve PvdA-leider ineens gepassioneerd te kunnen praten over de plicht tot werken en het belang de verzorgingsstaat in stand te houden. Met overweldigende meerderheid gaven de PvdA-leden hem hun zegen.

In de jaren na de WAO-crisis bleef het bal in de coalitie. Onenigheid met het CDA over de uitwerking van de WAO-maatregel leidde bijna tot de val van Lubbers III, maar werd bezworen met het ‘bamiakkoord’ van januari 1993. In de PvdA was het ook onrustig, met slechte peilingen en de hemelbestormde nieuwe voorzitter Felix Rottenberg.

Een persoonlijk lichtpuntje in die jaren was Koks nauwe betrokkenheid, als minister van Financiën, bij de totstandkoming van het verdrag van Maastricht (1991), dat de basis zou vormen voor de euro. Kok zou, net als veel generatiegenoten die de bezetting hadden meegemaakt, altijd een overtuigde en doorleefde voorstander van Europese samenwerking blijven.

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 tekende zich voor de PvdA lange tijd een dramatische nederlaag af. Maar de partij wist het verlies beperkt te houden, met een slimme campagne die zich volledig richtte op de persoon Wim Kok (‘Kies Kok’), die door kiezers als veel betrouwbaarder werd gezien dan zijn partij. Kok had ook keepersgeluk: het door interne broedertwisten verscheurde CDA verloor twintig zetels. En zo bleek de PvdA op verkiezingsavond, ondanks twaalf zetels verlies, ineens de grootste partij van het land te zijn geworden – en Wim Kok kandidaat-premier.

‘Een doodgewoon kabinet’

In de zomer van 1994 werd Kok premier van een kabinet van PvdA, VVD en D66: de eerste coalitie sinds de Eerste Wereldoorlog zonder christen-democraten. De formatie was lang en ingewikkeld en kende een staatsrechtelijk novum: na een eerste breuk in de onderhandelingen werd Kok als informateur door koningin Beatrix verzocht een ‘proeve van een regeerakkoord’ te schrijven, dat vervolgens aan de drie partijen werd voorgelegd.

‘Paars’ was niet Koks eerste keuze: hij voelde zich intuïtief meer op z’n gemak bij het CDA, de partij die naast de PvdA de belangrijkste grondlegger was van de verzorgingsstaat en het poldermodel. Het was D66-leider Hans van Mierlo die Kok dwong te kiezen voor een coalitie met de liberalen. Kok zelf deed vooral zijn best om die historische samenwerking te bagatelliseren: tijdens het debat over de regeringsverklaring noemde hij Paars I „een doodgewoon kabinet”.

Hoewel Kok het Torentje betrok onder een onzeker gesternte, ontwikkelde hij zich al gauw tot een bekwaam regeringsleider en een geliefd gezicht van Nederland. Met name op immaterieel gebied wist Paars een aantal grote doorbraken te bewerkstelligen die met het CDA onmogelijk waren geweest, zoals de euthanasiewet en het homohuwelijk.

De economie draaide vanaf halverwege de jaren negentig als een tierelier, met enorme banengroei en een krimpend begrotingstekort als gevolg. Er kwamen melkertbanen, de Nederlandse Spoorwegen werden verzelfstandigd en de Ziektewet geprivatiseerd. Paars slaagde erin het motto van het regeerakkoord (‘werk werk werk’) meer dan waar te maken. Met nieuwe, frisse gezichten als Gerrit Zalm (VVD) en Hans Wijers (D66) voelde Koks eerste kabinet na de lange Lubbers-jaren als een verademing.

Kok was geen premier van grote emoties. Hij was altijd beheerst en analytisch. Zijn betogen waren vaak wat droog maar hadden een kraakheldere opbouw. Het maakte dat luisteren naar hem, anders dan bij zijn voorganger Lubbers en opvolger Balkenende, geen kwelling was.

Wel beleefde Kok in het eerste jaar van zijn premierschap een traumatische gebeurtenis, die hij later zonder aarzeling zou omschrijven als het dieptepunt van zijn politieke loopbaan: de val van Srebrenica. Tot op het einde van zijn leven zou Kok het te kwaad krijgen als hij sprak over de gruwelijke slachtpartij in de Bosnische enclave in de zomer van 1995. „Een open wond die nooit dichtgaat”, noemde hij het later in gesprek met Coen Verbraak bij Kijken in de ziel.

Na zijn premierschap zou Kok zich inzetten voor de weduwen en kinderen van de meer dan zevenduizend Bosnische jongens en mannen die werden omgebracht na het vertrek van de Nederlandse blauwhelmen. Hij bleef altijd gefrustreerd dat hij door de voortijdige val van zijn tweede kabinet nooit de kans kreeg zich in het parlement te verantwoorden voor het Srebrenica-onderzoek van het NIOD in 2002.

Lees ook: De voorzitter van Nederland; Wim Kok is steeds meer politicus zonder partij geworden

‘Wim was first’

Na vier jaar Paars beloonden de kiezers Kok in 1998 met zijn eerste (en enige) verkiezingszege als lijsttrekker: de PvdA ging van 37 naar 45 zetels in de Tweede Kamer. De coalitie kreeg een overweldigend mandaat om door te regeren.

Toch was Koks tweede kabinet vanaf de start minder succesvol dan het eerste. Er was geld in overvloed, daar niet van: in 2000 beschikte de schatkist voor het eerst in vijftig jaar over een begrotingsoverschot. Maar de scherpte leek verdwenen bij Kok en zijn ploeg. Tekenend voor de ongeïnspireerde sfeer in Paars II was dat het vuistdikke regeerakkoord géén motto had.

Al na een jaar dreigde Paars II vroegtijdig ten einde te komen, nadat het bindend referendum – een D66-kroonjuweel – sneuvelde in de Eerste Kamer tijdens de Nacht van Wiegel. De breuk werd gelijmd, maar echt spetteren wilde Paars II ook daarna niet. PvdA, VVD en D66 creëerden een gedepolitiseerd, technocratisch klimaat dat later de ideale voedingsbodem bleek voor de electorale volksopstand onder leiding van Pim Fortuyn.

De stemming in het land sloeg om tijdens Koks tweede ambtstermijn. Ondanks de aanhoudende economische voorspoed kregen de burgers genoeg van de files en de wachtlijsten in de zorg. De vuurwerkramp in Enschede (2000) en cafébrand in Volendam (2001) ondermijnden het gevoel van veiligheid. In volkswijken zorgde de gebrekkige integratie van nieuwe Nederlanders voor spanningen.

De premier en zijn entourage zagen het niet. Het ging toch goed met Nederland? Later, na de moord op Pim Fortuyn en de afstraffing van de PvdA bij de verkiezingen van mei 2002 (22 zetels verlies), zou Kok het zich nog vaak afvragen: hoe kon die veranderende stemming hem ontgaan zijn?

Qua politiek vakmanschap stond Kok in zijn laatste jaren als premier op eenzame hoogte. Zo leverde hij een politiek en diplomatiek huzarenstukje rondom het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en Máxima Zorreguita. In het diepste geheim wist hij voor elkaar te krijgen dat Máxima’s vader Jorge, die als minister onder de bloedige Argentijnse junta had gediend, niet bij de feestelijkheden verscheen.

Internationaal rees Koks ster in die jaren ook. In 1997 was hij gastheer geweest bij het sluiten van het EU-verdrag van Amsterdam. Hij onderhield, in tegenstelling tot zijn voorganger Lubbers, een vriendschappelijke relatie met de Duitse bondskanselier Helmut Kohl. Het poldermodel, waarin Kok al zo lang een hoofdrol speelde, gold in die jaren als een voorbeeld voor de rest van de wereld: van heinde en ver kwamen politici en beleidsmakers kijken hoe werkgevers, vakbonden en overheid in Nederland hun geschillen in harmonie oplosten.

Rond de millenniumwisseling werd de pragmatische Kok tot zijn eigen verbazing ineens gebombardeerd tot de geestelijk vader van de Derde Weg, een generatie linkse leiders die de verzorgingsstaat wilden koppelen aan ongebreideld marktkapitalisme. Tony Blair in het Verenigd Koninkrijk en Gerhard Schröder in Duitsland voelden zich schatplichtig aan de Nederlandse premier. Op een Derde Weg-bijeenkomst in Washington hield de Amerikaanse president Bill Clinton in 1999 een uitgebreide lofzang op Koks voortrekkersrol: „Wim was first.”

Later zou Koks ongeclausuleerde omarming van de vrije markt, hoewel nooit een vooropgezet plan, desastreus uitpakken voor de sociaal-democratie. In PvdA-kringen wordt hem tot op de dag van vandaag zijn Den Uyl-lezing van 1995 nagedragen, waarin hij opriep tot het „afschudden van ideologische veren”. Dat beeld kwam overigens niet van Kok zelf, maar van VVD’er Neelie Kroes. Zij was destijds de echtgenote van PvdA’er Bram Peper, die de lezing schreef.

Van de ereloge naar de nooduitgang

Grote leiders hebben de neiging te laat te vertrekken. Van Wim Kok kun je zeggen dat hij misschien wel te vroeg is opgestapt. In augustus 2001 maakte hij bekend dat hij zou stoppen als premier en PvdA-leider. Een logisch besluit: hij was bijna 64 jaar oud, en na meer dan vier decennia in dienst van de publieke zaak was het mooi geweest.

Twee weken later vlogen er twee vliegtuigen de Twin Towers in New York binnen. En anderhalve week voor Kok had Elsevier-columnist Pim Fortuyn aangekondigd de politiek in te gaan - twee gebeurtenissen die het politieke klimaat in Nederland drastisch zouden doen kantelen.

Natuurlijk, Wim Kok had niet kunnen voorzien wat er in de daaropvolgende maanden allemaal zou gebeuren – uitmondend in de eerste politieke moord in Nederland sinds 1672. Maar hij droeg zelf ook bij aan de electorale knock-out van de PvdA in 2002. Met zijn voorliefde voor conflictvermijding en zaken afkaarten in de binnenkamer voedde hij de populistische kritiek op de ‘gesloten’ politieke klasse. „Het is Wim die Pim heeft gebaard,” schreef PvdA-ideoloog Paul Scheffer.

En net als andere grote leiders had Kok een ongelukkige hand in het aanwijzen van zijn opvolger. Zijn kroonprins, de houterige Ad Melkert, bleek als PvdA-lijsttrekker geen partij voor de flamboyante outsider Pim Fortuyn. Kok zou Melkert, ondanks diens opzichtige falen, altijd trouw blijven. Nog in 2014 lobby’de hij, tevergeefs, bij het kabinet-Rutte II om zijn voormalige protegé tot eurocommissaris benoemd te krijgen.

In Koks laatste maanden als premier voltrok zich een politieke nachtmerrie. De opmars van Fortuyn. Het rampzalige gemeenteraadsdebat van Melkert. De vroegtijdige val van Paars II over het Srebrenica-rapport. De moord op Fortuyn. Tweeëntwintig zetels verlies voor de PvdA op 15 mei 2002. Dat hij die dreun niet had weten te voorkomen, beschouwde hij als „een pijnlijke, persoonlijke en politieke nederlaag”, sprak Kok op verkiezingsavond.

„De afstand tussen de nooduitgang en de ereloge was nog nooit zo klein”, zei Kok ooit over de verkiezingen van 1994, die hem het premierschap opleverden. In 2002 kreeg die uitspraak abrupt een andere betekenis. Bij de afscheidsmis voor Pim Fortuyn, op zaterdag 11 mei, moest de premier de Rotterdamse Elisabethkathedraal letterlijk via de achterdeur verlaten. Hij werd ertoe gedwongen door de beveiligers, vanwege zijn persoonlijke veiligheid.

Koningin Beatrix en premier Wim Kok ontmoeten acteurs en musici van ‘Het Toneel Speelt’ in de Stadsschouwburg van Amsterdam.
Foto Vincent Mentzel
Tijdens het bezoek van de Zuid-Afrikaanse president Nelson Mandela in 1994
Foto Vincent Mentzel

Duivels dilemma

In de jaren na zijn afscheid trad Nyenrode-alumnus Kok, met veertig jaar vertraging, alsnog toe tot het bedrijfsleven. Hij werd commissaris bij ING, KLM, Shell en TPG Post (later TNT). In 2004 kwam hij in opspraak toen hij als commissaris bij ING instemde met een enorme salarisverhoging voor de raad van bestuur. Een „duivels dilemma”, noemde Kok zijn afweging. Maar voor veel partijgenoten was de ING-episode een schandvlek. De voormalige socialist Kok, die als premier nog de „exhibitionistische stijgingen van salarissen” in de top van het bedrijfsleven had bekritiseerd, bleek in hun ogen ineens een handlanger te zijn geworden van het grootkapitaal.

Tot op hoge leeftijd bleef Kok internationaal actief. Hij was voorzitter van de Club van Madrid, een denktank van oud-regeringsleiders. Nog in 2013 accepteerde hij een baan als niet-uitvoerend bestuurder bij een grote Chinese bank, waarvoor hij enkele keren per jaar naar China moest. Maar hij bracht ook veel tijd door met zijn vrouw Rita en zijn meervoudig gehandicapte zoon André. In een interview stelde Kok met ingetogen vreugde vast dat zijn band met André er sterk op vooruit was gegaan sinds hij niet meer permanent van huis was.

In de openbaarheid trad hij de laatste jaren nog zelden. Wel kreeg hij nog volop bezoek in zijn huis aan de Ank van der Moerstraat. In de tuin had hij een veredelde bouwkeet laten plaatsen om te werken en zijn gasten te ontvangen – vaak goedgemutster dan in zijn tijd als politicus. De koffie zette hij uiteraard zelf.

    • Thijs Niemantsverdriet