Drie naasten over werken met Kok

Wim Kok Een plezierig gezelschap, de ‘Roger Federer van de Nederlandse politiek’ en een bedachtzaam bestuurder. Drie mensen die werkten met oud-premier Wim Kok blikken terug.

Rien Zilvold

Marnix Krop (70) is sinds 2016 bezig met een biografie over Wim Kok. Tot zijn pensioen werkte hij bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en was onder andere ambassadeur in Berlijn en Warschau. Van 1977 tot 1985 was hij medewerker bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA:

„Een biografie? Dat is een doodsaankondiging!” Ziedaar Wim Koks eerste reactie op mijn suggestie in die richting. We reden in de regen naar zijn huis in Amsterdam-Slotervaart.

„Tja”, zei ik, „en jij vindt natuurlijk dat je nog midden in het leven staat?”

„Zeker”, zei hij.

„Eens”, antwoordde ik. „Maar als je tot na je overlijden – wat weleens na je negentigste zou kunnen zijn – wacht, dan komt je biografie misschien eerst in 2040 uit. Hoeveel mensen zullen dan nog weten wie Wim Kok was?”

„Hmm”, bromde Kok, „denk je dat?”.

„Jazeker”, zei ik. „En als je biografie nu wordt geschreven, die misschien over vijf jaar uitkomt, dan behandelt die niet alleen een historische persoon, maar ook een politiek nog steeds relevante figuur. Want hoeveel kwesties waar jij als vakbondsman en politicus je stempel op hebt gedrukt, zijn nu niet nog steeds voor ons van belang, met hoeveel worstelen we zelfs nog, nationaal en internationaal?”

„Tja, als je het zo bekijkt, laten we dan maar ‘s praten.”

Twee bedachtzame gesprekken verder zei Kok: „Ik vind het toch wel een goed idee, laten we het scheepje maar afduwen.” We hebben nog een paar stevige beginafspraken gemaakt, ook over wat te doen na een overlijden van een van ons, en toen was het project geboren. Dat was in september 2016.

„Ons project”, noemde Kok het, maar daarvan heb ik steeds wat afstand gehouden. Een nog levende persoon portretteren vraagt om een bijzondere combinatie van betrokkenheid en distantie. Bij Koks lange publieke leven heb ik me steeds betrokken gevoeld, maar een overtuigende beschrijving daarvan kan het niet zonder kritische beoordeling stellen. Daarvoor is zijn erfenis ook te omstreden. Ik zou hem geen recht kunnen doen, als ik te dicht tegen hem aan kroop. Heel snel liet Kok merken dat hij dit uitgangspunt onderschreef.

Aldus maakte ik bijna maandelijks de gang naar Koks tuinkantoor voor een diepgaand gesprek van ruim twee uur. Eerst over de grote lijnen in zijn leven. Om daarna de diepte in te gaan: zijn afkomst en jeugd, zijn lange loopbaan in de vakbeweging, zijn ontmoeting met Rita Roukema en de vorming van het gezin Kok. Een gezamenlijk tochtje naar zijn geboortedorp Bergambacht maakte het allemaal wat inzichtelijk. Andere excursies en gesprekken waren voorgenomen. Sinds begin dit jaar bespraken we zijn opvolging van Den Uyl, zijn overstap naar de politiek van de sociaaldemocratie en zijn deelname aan het kabinet-Lubbers III. Zijn ‘paarse’ jaren als premier (en het leven erna) stonden nog op het program.

Natuurlijk was Kok niet mijn enige bron. Inmiddels heb ik al zo’n 75 van zijn ‘reisgenoten’ en ‘tijdgetuigen’ gesproken en veel documenten, beeldmateriaal en literatuur bestudeerd.

Meer volgen nog. Dat is ook daarom nodig, omdat zijn geheugen Kok weleens in de steek liet. De grote lijnen beheerste hij als geen ander, maar belangrijke details waren hem weleens ontschoten. Gebrek aan eigen aantekeningen en aan een serieus persoonlijk archief maakte het hemzelf en zijn biograaf er niet gemakkelijk op. Kok toonde zich niet ongevoelig voor zijn plaats in de geschiedenis, maar aan het boetseren van zijn nalatenschap heeft hij niet bewust gewerkt.

Nu moet de biograaf zonder zijn gebiografeerde verder. Dat wordt meer dan een trendbreuk. Een derde van zijn leven heb ik min of meer op schrift. Veel moet nog worden opgediept, onderzocht en begrijpelijk gemaakt. Zonder Koks behoedzame maar ook plezierige gezelschap zal dit een eenzamere reis worden. De herinnering aan zijn bijzondere leven verdient echter zeker ook een kloek boek.

Arend Hilhorst was van 1986 tot 2001 eerst secretaris van fractievoorzitter Kok en daarna politiek adviseur van de minister van Financiën en minister-president, tot hij wethouder werd in Den Haag. Hij is nu verbonden aan de universiteit van Shenzhen in China:

Op veel verzoeken voor een activiteit of optreden van minister-president Kok schreef de Rijksvoorlichtingsdienst het korte, krachtige advies: ‘niet verenigbaar met de waardigheid van het ambt’. Het is vaker opgemerkt, Wim Kok was een belichaming van Nederlandse spreekwoorden en gezegden en het zijn sterke schouders die die weelde kunnen dragen. Hij was een man uit een stuk. Op de achterbank van de auto of voor de camera, in de Trêveszaal of op straat, in Den Haag of in Washington, of je erbij was of niet, je kon ervan op aan. Het was niet de waardigheid van het ambt, de waardigheid zat in de man zelf.

Zijn waardigheid ging gepaard met vakmanschap. Wim Kok was voor mij de Roger Federer van de Nederlandse politiek, al hield hij meer van voetbal. (Dit stuk schrijf ik als ongegeneerd lid van de harde kern van de Wim Kok-fanclub.) Zijn zichtbare toernooiprestaties waren mede het resultaat van noeste arbeid op de trainingsbaan. Achter een schijnbaar eenvoudige uitleg gingen complexe afwegingen en eindeloos oefenen schuil. Het resultaat mocht er zijn, al kan niemand elke wedstrijd winnen, ook Federer niet.

Wim Kok was zelf de eerste om zijn beperkingen te erkennen. Want in de beperking toont zich de meester, nietwaar? Geen man van vergezichten. Wie naar Wim Koks houvast in het leven zoekt, moet niet de ogen ten hemel richten maar kijken naar de grond onder Wims voeten. Naar het stevig fundament. Geen hemelbestormer, wel diepgang. Wim blies je niet omver. Geen valse bescheidenheid, wel relativeringsvermogen en een gezond zelfvertrouwen.

Dertig jaar boegbeeld van achtereenvolgens NVV, FNV, PvdA en paarse kabinetten brengt een zekere eenzaamheid met zich mee. Het woord ‘boegbeeld’ zegt het al. En tot Wims diepgang en beroepsmatige eenzaamheid (want in de huiselijke kring voelde hij zich gesteund en gesterkt), behoorde ook een gevoel voor het tragische. Daarom heeft de fanclub, na de verwerking van de schok van 2002 en zijn afscheid van de politiek, kunnen genieten van Wim in het wild. Geen boegbeeld meer, geen kapitein op het schip maar een van de beste stuurlui aan wal, met alle relativering en humor van dien.

Als ik het torentje binnenstapte met een niet geheel voldragen concepttekst, vroeg Wim weleens: ‘Wat vind je er zelf van, Arend?’ Dan wist ik wel hoe laat het was. Ik zal hem vreselijk missen.

Henne Pauli was van 1971 tot 1985 woordvoerder en speechschrijver van Wim Kok bij het NVV en de FNV:

Binnen de vakbeweging was Wim Kok direct voorbestemd om een leidersrol op zich te nemen.

Toen ik vanaf de journalistenschool het jongerenwerk van het toenmalige NVV binnenrolde, heb ik de jongensachtige Wim Kok nog meegemaakt. De ontspannen man, goedmoedig grapjes makend over collega’s, die later nog zelden te zien was (zoals op werkbezoeken aan zusterorganisaties in het buitenland). De eerste keer dat Wim Kok wereldnieuws werd was toen wij – ik meen in 1973 – als NVV-delegatie een bezoek brachten aan de ondergrondse vakbeweging in het Spanje van dictator Franco. Kok – hij was toen al NVV-voorzitter – rende mee in een ‘pop-updemonstratie’ (die bestonden toen ook al) tegen Franco en werd in volle actie door een fotograaf gespot. Persbureau Reuters stuurde die foto de hele wereld over. Het werd een klein diplomatiek incident tussen Nederland en Spanje.

Na het interne conflict binnen het NVV in 1972, toen de jonge Wim Kok tot het voorzitterschap werd geroepen om de eenheid te herstellen, maakte die jongensachtigheid meteen plaats voor de bedachtzame bestuurder die steeds op zijn hoede moest zijn. Een vakverbond met een onevenwichtig samenstel van grote en kleine autonome NVV-bonden, moeizame relaties met andere vakcentrales CNV, NKV en Raad MHP en regeringen die, of ze nu rechts of links waren, allemaal met loonwetten klaarstonden om de economische ontwikkeling naar hun hand te zetten. De ‘methode-Kok’ werd legendarisch: iedereen het gevoel geven gehoord te zijn en dan met een wolk van woorden waar ieder wel zijn inbreng in terugvond, zijn eigen lijn uitzetten.

Die methode paste bij de tijd van democratisering maar werd niet door iedereen gewaardeerd. Een toenmalig lid van het dagelijkse bestuur zei me dat een voorzitter de marsroute moet aangeven en niet eerst iedereen z’n zegje moet laten doen. Maar toch werd zijn gezag meteen herkend. Op de golven van de ontkerkelijking fuseerde het rooie NVV met het katholieke NKV. Dankzij zijn inlevend vermogen en zijn goede relatie met NKV-voorzitter Wim Spit wist Kok in 1976 een voorbeeldig samengaan van de twee vakcentrales tot de Federatie Nederlandse Vakbeweging tot stand te brengen. Daarna volgde – als bijbaan – zijn voorzitterschap van het Europees Verbond van Vakverenigingen, wat hem tot gesprekspartner maakte voor verscheidene buitenlandse politieke leiders (zoals Helmut Schmidt) die hij later als premier zou ontmoeten.

Als woordvoerder en speechschrijver sta je heel dicht bij je ‘eerste man’. Koks snelle denken en irritatie over mensen die dat niet konden bijhouden, gaf hem vaak een knorrig en afstandelijk imago (zowel collega’s als journalisten kwamen zich daarover wel bij mij beklagen). Maar je kon ook zijn emoties zien als hij in de crisisjaren 80 stukliep op het front van het kabinet Lubbers en de werkgevers om een fatsoenlijk sociaal stelsel en inkomensniveau voor werklozen en andere uitkeringsgerechtigden overeind te houden.

Het Akkoord van Wassenaar van 1982 tussen vakbondsleider Kok en werkgeversvoorzitter Van Veen is in niet geringe mate te danken aan Koks snelle, nauwelijks voorbereide improvisatie toen hij plots een gaatje zag ontstaan in de sociaal-politieke constellatie.

Correctie (21 oktober 2018): Van Veen was werkgeversvoorzitter, niet werknemersvoorzitter, zoals hierboven eerder stond.

    • Mark Kranenburg