Recensie

Wordt nieuwsgierigheid het vosje fataal?

Kinderboek Een nieuwsgierig vosje valt en raakt verzeild in een droom – die eigenlijk een bijna-doodervaring is. Het prentenboek Vosje vormt een hoogtepunt in de oeuvres van zowel illustrator Marije Tolman als schrijver Edward van de Vendel.

Een vosje, zijn jonge snuit nieuwsgierig naar boven gericht, bekijkt de vogels aan de kustlijn, holt achter meeuwen aan, spreidt voor de grap zijn poten zoals de aalscholver naast hem die zijn vleugels droogt, en ziet iets, kijkt beter, wij zien het ook, en dán pas – na vijf dubbele bladzijden met taferelen – neemt schrijver Edward van de Vendel (1964) het woord, met een heerlijke openingszin: ‘Vosje holt achter twee vlinders aan, want ze zijn paars.’

Die aanloop toont meteen de formidabele samenwerking tussen illustrator Marije Tolman en Van de Vendel in het kinderboek Vosje, dat in hun beider oeuvres een hoogtepunt vormt. Tolman (1976), die in haar beeldende werk vaker technieken combineert, gebruikt hier in veel tekeningen een achtergrond van korrelig blauwe foto’s van strand en duinlandschap. Dat mixt fantastisch met de bijgetekende dieren, vooral de voornaamste, de vos in spetterend oranje. De beelden hebben iets realistisch én fictiefs – tegelijk alledaagsheid én iets dat daaraan ontstijgt.

Het hollende vosje volgt de vlinders nét te ver, tot het duin onder zijn pootjes wegvalt en hij valt, en in een droom verzeild raakt. Een heerlijke droom: vol warme herinneringen over dartelende vossenbroertjes en -zusjes, over de wereld die Vosje dan voor het eerst ontdekt. Van de Vendel schrijft groots over klein geluk, met dezelfde joyeuze opmerkzaamheid die de kinderpoëzie in zijn Superguppie-bundels zo sterk maakt: ‘En als je in de wind gaat staan waaien je haren overeind! En als je je omdraait waaien ze naar de andere kant!’ Tolman gebruikt daar bruin pakpapier als ondergrond – een subtiele stijlveranderingen die de droom benadrukt.

Voorportaal van de dood

Hoewel: droom? Je hebt het niet meteen door, maar wat zich voltrekt is ernstig. Vosje, buiten westen, ziet zijn leven als een film voorbijtrekken, want hij verkeert in feite in het voorportaal van de dood. Maar als Van de Vendel even zwijgt, ruilt Tolman haar pakpapier weer voor duinfoto’s in en dan fietst er een mensenjongen, net zo vrolijk en nieuwsgierig als Vosje, het verhaal binnen. Hij kent Vosje al, leren we, van toen die z’n onvoorzichtige kop in een pot had gestopt en de jongen hem had ontzet.

Die nieuwsgierigheid dreigt Vosje nu fataal te worden – menig kinderboekenschrijver met ernstige literaire neigingen had dit verhaal in mineur laten eindigen. Maar niet Edward van de Vendel, die een uitgesproken warmhartige schrijver is, maar toch geen simpele oplossingen kiest. Stapje voor stapje, scène na scène, almaar gevoeliger verbeeld, laten Tolman en Van de Vendel de mooie kanten van nieuwsgierigheid (het leidt tot ontmoetingen, vertrouwen, liefde, moed!) zegevieren. Dat einde ligt zo stevig verankerd in het verhaal dat het even onontkoombaar als literair verfijnd is. Aan het einde heb je de levenslust van Vosje stevig in je hart gesloten.

    • Thomas de Veen