Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Hij is/was

Henk Spaan vroeg mij weleens mee naar het voetbal. Dat waren altijd wedstrijden van Ajax tegen Vitesse. Henk zei dan niet zoveel, hij houdt niet van praten tijdens een wedstrijd. Soms een vraag waarin hij zelf het antwoord al had verstopt zodat ik het eigenlijk niet fout kon zeggen.

„Jij ziet ook dat Christian Eriksen de beste van het veld is?”

Wat ik me herinner, is dat hij niet zoals de rest ging staan en klappen als dat clublied werd gedraaid – „Het is het volkslied niet” – en verder zal ik de uitdrukking op zijn gezicht nooit vergeten toen hij er bij de ingang uit werd gepikt om te worden gefouilleerd.

Verder niets dan bewondering.

Ik hoorde hem meer dan eens het mooiste voetbalgedicht ooit geschreven voordragen, over zijn gedachten bij keeper Ed de Goeij van Feyenoord. Vier zinnen uit het hoofd: ‘aan ’s morgens naar je werk/ aan zondags naar de kerk/ aan ’t legen van de vuilnisbak/ een leven dat vanzelf sprak.

Die Henk Spaan was woensdag even terug in Amsterdam Nieuw-West. Op het Calvijn College, de school van Abdelhak ‘Appie’ Nouri presenteerde hij zijn boek Nouri, de belofte. Over het Ajax-talent dat hij al vanaf zijn negende volgde en aan wiens carrière vorig jaar zo’n treurig einde kwam.

De familie Nouri was nadrukkelijk aanwezig.

Af en toe keek ik naar vader Mohammed, die ooit naar Nederland kwam om informatica te studeren en ‘Newton’ werd genoemd.

Ik vond het een mooie gedachte dat al die lovende stukjes die Henk Spaan door de jaren heen over zijn zoon schreef hem niet waren ontgaan, maar het kan ook zijn dat ze elkaar kenden van langs de lijn. Ik stelde me zo voor dat Henk Spaan bij een steekbal van Nouri kraaide van opwinding, dat hij je dan aanstootte als je toevallig naast hem stond en dan het ongeloof als je niet hetzelfde had gezien, hoewel Nouri zo goed schijnt te zijn geweest dat dit eigenlijk niet kon.

In zijn praatje zei Henk Spaan dat hij bij het schrijven worstelde met het gebruik van de tegenwoordige en de verleden tijd. Zijn agent en redacteur Lolies van Grunsven zei bij de borrel dat eigenlijk alleen de familie Nouri in de tegenwoordige tijd over Abdelhak praat.

En daarmee was veel gezegd.

Hij was, hij is.

Ik heb het boek nog niet gelezen – ik legde het gekregen exemplaar op de bar en toen was het verdwenen – maar las eerder tussen twee gesprekken in wel alvast het dankwoord van de auteur, een wat vreemde gewoonte.

Ik onthield: ‘Tot slot bedank ik Harriët, mijn vrouw, die zich keer op keer zonder morren heeft neergelegd bij mijn afwezigheid, ook al was ik in huis.’

Ik vind/vond dat mooi gezegd.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen