Recensie

Berooid en volslagen onbekend maar vastberaden om Parijs te veroveren

Richard Wagner

Jong en ambitieus arriveerde Richard Wagner in Parijs om het daar te gaan maken. Dat lukte niet, hij werd er cultureel correspondent voor Duitse bladen. En die berichten zijn nu gebundeld.

Scène uit Wagners Tannhäuser, opgevoerd in 1861 bij de Parijse opera. Illustratie Lee/ Leemage/ AFP

Richard Wagner arriveerde in Parijs in september 1839, met zijn eerste vrouw Minna en zijn trouwe Newfoundlander Robber. Hij was berooid en nog volslagen onbekend. Als jonge, ambitieuze componist was hij vastbesloten om ‘de culturele hoofdstad van de negentiende eeuw’ te veroveren. Maar Parijs zat niet op Wagner te wachten. Hij slaagde er niet om zijn op Franse leest geschoeide grand opéra Rienzi en Der Fliegende Holländer bij een operatheater onder te brengen. Wagner moest zijn hoofd boven water houden met culturele journalistiek en muzikale klussen, zoals bewerkingen van de opera’s van Donizetti en Halévy die wél succes hadden.

Geschriften over Parijs, het achtste deel van Wagners verzamelde geschriften, bestaat grotendeels uit artikelen die Wagner gedwongen was te schrijven als cultureel correspondent voor Duitse periodieken tijdens zijn drie Parijse jaren. De bundel bevat niet zijn belangrijkste, maar wel een aantal van zijn meest leesbare stukken. In deze periode schreef hij – met dik aangezette ironie – in de stijl van Heinrich Heine, met wie hij in Parijs in contact stond.

De Franse en Italiaanse opera streden met elkaar om de hegemonie in Parijs; het serieuze genre van de grand opéra concurreerde met de luchtige opéra comique. De Parijzenaren begonnen daarnaast interesse te ontwikkelen voor de Duitse romantische muziek. De uitvoeringen van Beethovens symfonieën door de Société des Concerts du Conservatoire bleven voor Wagner levenslang een maatstaf. Webers Der Freischütz beleefde in een bewerking van Hector Berlioz zijn Franse première tijdens Wagners Parijse verblijf. ‘Ze hebben hem niet dood kunnen maken, onze lieve, heerlijke Freischütz!’, jubelde hij in juli 1841, om vervolgens geen spaan heel te laten van de recitatieven die Berlioz had toegevoegd.

Dat Wagner de hoop koesterde snel een voet tussen de deur te krijgen, was niet alleen een kwestie van zelfoverschatting. Zijn artikelen zweven tussen hoopvol idealisme en bittere ontgoocheling. Uit sommige stukken spreekt de hoop dat juist de metropool Parijs de mogelijkheid zou bieden om het beste van de nationale stijlen met elkaar te versmelten. Met name de Duitsers zouden daar een speciaal talent voor hebben. Was Mozart er niet in geslaagd om met Don Giovanni en Le nozze di Figaro de Italiaanse opera naar het hoogste plan te tillen?

Wagner was een groot bewonderaar van La juive van Jacques Halévy; een werk ‘met alle kenmerken van de Franse school’ dat toch ‘de duidelijkste en mooiste sporen van Beethovens geest draagt.’ Hogere lof bestond er niet voor Wagner.

Wagners gevoelens voor latere bêtes noires zoals Meyerbeer en Mendelssohn zijn in deze periode allerminst eenduidig of uitgesproken antisemitisch. Meyerbeer was een belangrijk contact voor hem in de Franse muziekwereld, maar zijn warme woorden voor diens werk Robert le diable (‘Robert is onvergankelijk!’) zijn niet louter ingegeven door opportunisme. Ook zijn er al aanzetten te vinden van zijn beruchte antisemitisme. Wagner laat niet na te vermelden dat een componist wel gelieerd moet zijn aan een bankiersfamilie – zoals Meyerbeer – om succes te kunnen hebben in Parijs.

De nationalistische Wagner begint zich te roeren. Hij raakt geobsedeerd door kwesties omtrent de nationale oorsprong en kenmerken van respectievelijk de Duitse, Italiaanse en Franse muziek. Uit zijn artikel ‘Over het Duitse muziekwezen’ komt een enorm geïdealiseerd beeld naar voren van Duitse muzikaliteit, die ‘zuiver en onschuldig’ en juist daarom ‘zo eerlijk en verheven’ zou zijn. Eigenlijk heeft alleen de Duitser volgens hem het recht om als een ware musicus te worden beschouwd ‘want van hem kun je zeggen dat hij van de muziek houdt omwille van haarzelf.’ Niet zoals al die frivole, oppervlakkige Fransen, die de muziek louter beschouwen als vermaak voor hun salons en van opera vooral spektakel verwachten.

Zulke stereotypen zouden zich steeds meer verharden, gevoed door de teleurstellingen in Parijs. Maar toen Wagner zijn berichten over het muziekleven daar schreef, lag die toekomst nog wijd open. Hoe had de muziekgeschiedenis eruit gezien, als de jonge Wagner wél was doorgebroken in Parijs? In Geschriften over Parijs zijn prikkelende aanzetten te vinden van een meer kosmopolitische weg, die Wagner uiteindelijk niet in sloeg.

    • Peter de Bruijn