Recensie

Grandioos vertellen over de aftakeling

Huub Beurskens

Werp de mens wat details of wat woorden toe en je hebt een verhaal. Huub Beurskens laat dat op een hoogst originele en speelse manier zien in zijn nieuwe roman.

Steyler van Huub Beurskens bevat ten minste één zeer goed verhaal. Het handelt over – en het lijkt zo wel een mop – twee Duitsers die eind 19de eeuw in China proberen om Chinezen tot het christendom te bekeren. Hun tegenvallende inspanningen zijn zo schrijnend en tegelijk zo ironisch op papier geschetst dat je alleen al door dat ene romanhoofdstuk overtuigd bent van grote vertelkunst van deze schrijver.

Maar de eigenzinnige Beurskens (1950) is niet per se een man van goede of zeer goede verhalen. Dat bleek in het vorig jaar voor de ECI Literatuurprijs genomineerde Eindeloos eiland en dat blijkt ook nu weer. Want hoewel de gehele Steyler gemakkelijk had kunnen drijven op het gegeven van die blunderende Duitsers, neemt het maar een paar pagina’s in beslag. Er wordt uitgezoomd, waarna blijkt dat het verhaal is ontsproten aan de verbeelding van een man die in een museum naar wat overblijfselen van de missie staat te kijken. Die heeft blijkbaar aan een paar stukjes stof genoeg om een verhaal te verzinnen dat je moeiteloos boeit – en dat interesseert Beurskens meer dan het verhaal zelf.

Beurskens is een programmatisch schrijver, of misschien wel gewoon een heel literair schrijver, die liever iets over verhalen zégt dan ze schrijft. Dat maakt hem interessant, maar ook wat koudbloedig. Met voetnoten, intermezzo’s en een ontnuchterend nawoord koelt hij het hart van de lezer, mocht die zich al te innig met de vertelling hebben verbonden. Een van die voetnoten is de moeite van het vermelden waard: ‘Ik las eens dat het lezen van een voetnoot in een roman zoiets is als de trap af moeten omdat de bel gaat terwijl je ligt te vrijen; in een romantisch meeslepende roman of goede detective, neem ik aan.’ Dit is dus een voetnoot over hoe vervelend het is om in een roman op voetnoten te stuiten.

Steyler is (dus) een roman met een pointe, met een paar pointes zelfs. Een belangrijke hiervan is dat ‘de dingen’ er tot op zekere hoogte al zijn op het moment dat ze genoemd worden. Mathieu, de kunsthandelaar wiens verbeelding in het museum zo (grandioos) op hol sloeg is hiervan min of meer de belichaming. Werp de mens wat details of wat woorden toe en de verschijnselen of verhalen rondom die details of woorden zijn er. Maar waar zouden de verschijnselen anders moeten bestaan dan in onze hoofden?

Had Mathieu dus wel naar de Dordogne moeten afreizen om zijn vriend Luc op te zoeken? Misschien niet, maar hij ging toch, vriendschappen laten zich blijkbaar wat lastig voor de geest halen. En zo zit hij dus, in wat de enige echt sociale component van Steyler is, naast hem in de auto, slingerend door een berglandschap. Luc is net zo’n grote eenzaat als Mathieu, waardoor beiden voortdurend in discussie raken over van alles en nog wat, en Mathieu over nog meer gaat piekeren.

‘Ik had opeens het gevoel een onuitstaanbare, want niets dan pruttelende, knorrige, zeikende en zeverende, aldoor in seniele herhaling vallende, volstrekt niets meer van zijn tijd en de zich onophoudelijk vernieuwende mensenwereld begrijpende en accepterende, regressieve, onwelriekende en kwijlende ouwe zak te zijn, die binnen niet al te lange tijd een kordate, onbepotelbare verpleegster nodig had omdat hij zijn eigen reet niet meer kon afvegen, en die alleen nog op bleke blote rimpelige voeten door zijn vervuilde onderkomen sjokte, van de doorgezakte smoezelige sofa naar het opgelapte raam met de gore glasgordijnen en terug.’

Wat we hier zien is iemand die zich zelfs zijn eigen aanstaande aftakeling zo grandioos, zo welbespraakt voorstelt dat de echte aftakeling straks ongetwijfeld best wel meevalt.

    • Sebastiaan Kort