Recensie

Wie geen vader wordt, blijft altijd zoon

Rob van Essen Conventies worden doorbroken, met plotloze thrillers en seks met een zelfrijdende auto. Van Essen schept bewust verwarring in zijn nieuwe roman De goede zoon, over de (on)macht de ander te begrijpen. (●●●●)

Illustratie Paul van der Steen

‘BZZZZZZZT, BZZZT, BZZZT, BZZT, BZZZZZZT, BZT.’ Wat zoemt daar zo? ‘Bzt’ kan van alles betekenen in De goede zoon, de nieuwe roman van Rob van Essen. Is het het in- en uitklappen van de schier onbegrijpelijke leunstoel-met-afstandsbediening die de hoofdpersoon erft van zijn schier onbegrijpelijke moeder? Heeft hij tinnitus, hoort hij verkeerslawaai, of nadert ex-collega Guido in zijn rolstoel? Het kan allemaal. Het is hoogst origineel dat Van Essen, ook recensent voor NRC, een geluid zoveel gewicht geeft in zijn roman. Eerder won hij de Biesheuvelprijs met een verhalenbundel, en stond meermalen op de nominatie van de Libris Literatuurprijs.

Bzzt. Misschien is het gewoon de tijd maar, die zoemt. De goede zoon speelt zich af in een erg nabije toekomst. De beschreven wereld ligt om de hoek bij de onze. De Albert Heijn bestaat nog, maar kranten niet meer. Veel werk is overgenomen door robots. Wat definieert de mensen nog, nu ze geen beroep meer hebben? Afkomst, veel meer is er niet.

De naamloze ik-persoon die het woord voert in De goede zoon, is een jaar of zestig en lijkt vastgelopen in de tijd. Hij heeft niets om handen en niemand zit op hem te wachten, zeker niet nu zijn demente moeder overleden is. Hij is ontslagen bij EVSV (de soapserie Echte Vrienden, Slechte Vrienden) en zijn manuscript is afgewezen door de uitgever. Voorbij lijkt zijn faam als auteur van ‘plotloze thrillers’, een door hem gemunt genre waarbij de ander, de lezer, veel toevoegt. De goede zoon, waarin een vage lijn zit van een partij diamanten die zoek is, heeft zelf ook wel iets weg van een plotloze thriller. Van Essen speelt een spel met je verwachting, en laat veel open.

Een nieuwe jeugd verzinnen

Vlot en geestig steekt de roman van wal: ‘Ik had vandaag ruzie bij de kassa [...]. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet.’

Dat is innemend, voorstelbaar, het wekt compassie. De lezer denkt houvast te hebben. Maar dan wordt de hoofdpersoon opgehaald door een oud-collega voor een geheime missie, en komt alles op losse schroeven te staan. Veertig jaar geleden werkte hij met deze ‘Lennox’ bij ‘Het Archief’, een soort collectief geheugen waar álle archieven van iedereen en alles destijds werden verzameld. De reis die hem nu opgedrongen wordt, heeft een doel. Hij verzon ooit een nieuwe jeugd voor iemand (een verklikker uit het criminele milieu) die een nieuwe identiteit nodig had, en de verteller baseerde dat op zijn eigen jeugd. Daar moet nu weer iets aan verbouwd worden.

Zeven dagen reist hij, eerst samen met de oud-collega (op wie hij de detective uit zijn plotloze thrillers baseerde, en die hij dus ook op zijn minst voor een deel zelf verzonnen heeft), en dan alleen, met een sprekende auto. Het is allemaal knotsgek en vergt een hoop welwillendheid en soms wat al te veel geduld van de lezer. Aan het eind kijk je duizelig op. Waren we nou net ín het hoofd van de hoofdpersoon?

Van Essen schept alle verwarring doelbewust. Deze roman gaat over het begrijpen van, het binnenkijken bij een ander. Op tal van manieren duikt het thema op: in het bespieden van meisjes in de jonge jaren van de hoofdpersoon, maar ook tijdens de lange zit naast het sterfbed van zijn moeder. Wanneer delen mensen echt iets en wanneer zijn ze toeschouwer, pottenkijker?

Aan het eind kijk je duizelig op. Waren we nou net ín het hoofd van de hoofdpersoon?

De hoofdpersoon blijkt zijn leven lang in de gaten gehouden te zijn, door een soort geheime dienst. In plaats van schrik schenkt deze ontdekking hem geruststelling. Hij voelt zich vereerd: hij mocht er zijn, er werd belang in hem gesteld. Dit brengt hem tot een laat begrip van zijn ouders, die na een periode van geloofsafval terugkeerden in de bevindelijk gereformeerde kerk. God ziet immers ook alles, en dat voelt veilig. De moeder ‘wilde gezien worden, niet alleen zijn, overgeleverd aan haar lot en het gezin met de boodschap dat ze het zelf maar moest uitzoeken en hoe ze dat moest doen, zonder dat er iemand mee keek’.

Seks met een auto

Dit inzicht is ontroerend in zijn eenvoud, in een roman waarin álles mogelijk lijkt. Wc’s informeren je over je bolus, robots begrijpen ironie, auto’s rijden zelf en kunnen converseren, en nog veel meer. Meestentijds weet je niet waar Van Essen het vandaan haalt of kun je er van alles bij halen (behalve aan Dr. Strangelove dacht ik bijvoorbeeld aan Ogen van tijgers van Tonke Dragt). Je wordt ook verrast doordat hij telkens conventies doorbreekt: de hoofdpersoon gaat gerust op bezoek bij een overleden therapeut. Haast schokkend, want best opwindend, is een seksscène. Met een auto.

Het is een krankjorume wereld, en toch ook weer niet. Want De goede zoon is toch vooral een roman over een man die zijn moeder kwijt is. Hij vraagt zich af wie zij was, en wie hij zelf is. Omdat hij geen kinderen heeft, geeft hij niets door en verhoudt hij zich maar moeizaam tot de tijd, denkt hij. Wie geen vader wordt, blijft altijd zoon, een beperkt perspectief. De bevreemding van de hoofdpersoon werkt door in de lezer van dit rijke, wonderlijke boek. En intussen gaat de tijd voorbij. Bzzt.

    • Judith Eiselin