Recensie

De verscheurde ziel van Weill en Wende

Recensie KCO

Zangeres Wende Snijders belichaamt het vreten, Frommermann de dubbelhartige moraal in wervelende Sieben Todsünden van Weill en Brecht.

Wende zingt vol overgave Weill en Brecht met het Koninklijk Concertgebouw Orkest MLADEN PIKULIC

Schoonheid lijkt niet besteed aan het tweetal Kurt Weill en Bertolt Brecht. Hun noten en woorden klinken ruig als het bestaan waaruit ze voortkomen. Voor de dood hoef je minder bang te zijn dan voor het gebrekkige leven, vond Brecht. In Die sieben Todsünden tonen beiden met welke demonen de mens moet zien af te rekenen: ledigheid, hoogmoed, woede, vraatzucht, wellust, hebzucht en jaloezie.

Zangeres Wende belichaamde de gespleten danseres Anna – twee zielen in één borst – die een zevenjarige odyssee volbrengt langs evenzoveel Amerikaanse steden. Ze bezong en verbeeldde – veraf op het toneel maar dichtbij op een ontkleurd videoscherm – de verscheurdheid van een eenzame ziel, in wie een strijd woedt tussen „doe wat ze van je verlangen en niet wat jij wil dat ze van je verlangen”.

Wende wervelt verleidelijk

Wende wervelde over het podium, door de zaal – mannen verleidelijk onder hun kin strelend – en van de trappen. In het lied over wellust en liefde vlijde ze haar lijf hunkerend tegen dat van de dirigerende Cristian Mãcelaru, die met het orkest tot vliegwiel van het drama uitgroeide, de ene keer traag en teder, en dan weer razend en rauw.

In het lied over wellust en liefde vlijde Wende haar lijf hunkerend tegen dat van de dirigerende Cristian Mãcelaru aan MLADEN PIKULIC

Op die drijvende kracht schitterden ook de vier zangers van Frommermann, die de ouders en twee broers van Anna vertolkten – het gezin dat in Louisiana wacht op het door haar gestuurde geld, waarvan een klein huis gebouwd moet worden. Anna symboliseert das Fressen, de familie die Moral, maar wel een moraal van parasieten, die zelf geen vuile handen willen maken. Die dubbelzinnigheid uit Brechts jaren dertig is een ideale biotoop voor Frommermann.

Het tijdsgewricht en de tweeslachtigheid deelt Die sieben Todsünden met de suite die Dmitri Sjostakovitsj distilleerde uit zijn satirische opera De Neus. En ook hier trof het Koninklijk Concertgebouw de goede toon van beangstigende absurditeit, met een hoofdrol voor de virtuoze slagwerkers.

Het concert begon met het onheilspellend plukken door contrabassist Dominic Seldis boven violen in ademnood in Lamentations on the Disasters of War van Karim Al-Zand, dat de finale uitkomst van de zeven hoofdzonden verklankte: schrijnende tranen.

    • Joost Galema