Recensie

Bruegels tovenarij is in Wenen subliem te zien

Tentoonstelling

‘Bruegel’ is een tentoonstelling in de buitencategorie (●●●●●+). Van de 40 schilderijen die nog van Pieter Bruegel bestaan, zijn er maar liefst 30 in Wenen. Deze once in a lifetime-tentoonstelling moet je gaan zien.

Pieter Bruegel de Oudere, Jagers in de sneeuw (1565) Foto Kunsthistorisches Museum, Wenen

Ze is onverschrokken. Ze is praktisch. Ze stevent recht op haar doel af, een zwaard in de hand voor wie haar durft te stoppen, een mes losjes bungelend om haar middel, een trommel, potten en pannen in een kluitje onder haar arm (want zonder dat geen eten). Haar blauwe rok wappert om haar benen, een helm bedekt haar lange bruine haar. Haar ogen zijn wijd opengesperd, gericht op de einder. Daar links in de verte moet ze heen. Weg uit deze omgeving waar de dood zich overal aandient. Weg van de brandende huizen, de krankzinnige martelingen, van razende vrouwen die zich uitleven op de stad en al haar inwoners. Hakken, slaan, knevelen, verzuipen, gekrijs, doodsangst. Zij laat die knettergekte links liggen.

Pieter Bruegel, Dulle Griet (1563)

Foto museum Mayer van den Bergh

Ze heet Griet, en haar bijnaam is ‘dulle’ – de maffe. Pieter Bruegel, de man die zijn naam gaf aan één van de beroemdste schilderdynastieën aller tijden, schilderde haar in 1563. De vrouw op het paneel is van onbestemde leeftijd, ze is niet mooi, niet lelijk. Na voltooiing ging Griet naar het hof van Rudolf II in Praag (waarschijnlijk), naar het Zweedse koningshuis (waarschijnlijk), en ten slotte naar Antwerpen. Daar hangt ze sinds 1894, in het prachtige museum van de verzamelaar Fritz Mayer van den Bergh.

Dulle Griet werd door de zestiende-eeuwse schilderbiograaf Karel van Mander beschreven als een boosaardige feeks die er geschift uitzag en een hoop plunderspul met zich meezeulde in het aangezicht van de Hel. Dat is één interpretatie, en er zouden nog vele volgen. Beeldde Bruegel met het paneel een satire uit, waarmee de vrouwen wraak nemen op de mannen? Beeldde hij een moralistisch zoekplaatje uit, waarbij iedereen, ongeacht wat hij of zij uitvreet, verzwolgen wordt door de wellustige muil van de hel? Wilde Bruegel een van zijn inspiratiebronnen – Jeroen Bosch – overtreffen? We weten het niet, want de kunstenaar, geboren zo rond 1525 in Breda of Antwerpen, en in 1569 in Brussel gestorven, liet geen geschriften na, geen brieven, hij mengde zich niet in openbare debatten (voor zover we dat kunnen nagaan), becommentarieerde zijn werk nooit, nergens.

30 van de 40 schilderijen die nog van Bruegel bestaan, zijn op de expositie in Wenen. Plus de helft van zijn 60 tekeningen en 80 etsen

En nu is na een lange restauratie Dulle Griet fris terug en sprankelt als één van de topwerken op de recent geopende tentoonstelling Bruegel in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. Ik sta lang voor het schilderij, zoals je voor ieder schilderij en iedere tekening van Bruegel lang moet staan om alle grappige, potsierlijke en wonderschone details te kunnen ontdekken. Maar ik kijk toch vooral naar Griet. Griet ziet eruit alsof ze het welletjes vindt. De wereld om haar heen is waanzinnig en levensgevaarlijk, en dus vertrekt ze met haar draagbare keuken en haar wapentuig. Ze verlaat het strijdgewoel in vertrouwen op iets beters, ergens anders. En daarmee is Dulle Griet voor mij ook en vooral een schilderij van hoop.

Eens in je leven

Bruegel – simpele titel maar geen simpele onderneming – is zo’n tentoonstelling die alle categorieën en alle kwalificaties overbodig maakt. Goed? Nee, beter. Bijzonder? Nee, meer dan dat. Uniek, om dat versleten begrip maar eens te hanteren? Zeker.

Pieter Bruegel de Oudere, De schilder en de connaisseur (ca. 1566)

Foto Albertina, Wenen

Als „eens in je leven” wordt de overzichtstentoonstelling over Pieter Bruegel de Oudere in Wenen vermarkt – en daar is geen letter van gelogen. Nog nooit is zo’n groot aantal van de uiterst kwetsbare werken van Bruegel bij elkaar gebracht, en het zal er waarschijnlijk ook nooit meer van komen. Van de veertig schilderijen die nog van Bruegel bestaan, zijn er dertig naar het Kunsthistorisches Museum gekomen (dat zelf twaalf Bruegels bezit). Van de zestig tekeningen en tachtig etsen die nog bewaard zijn, is ongeveer de helft in Wenen te zien.

Een paar panelen, waaronder De Parabel der Blinden (1568) uit het Museo di Capodimonte in Napels, kwamen niet. Maar musea in Spanje, Duitsland, Italië, Engeland, Zwitserland, Tsjechië en Nederland, particuliere verzamelaars stonden kostbare, onvervangbare topstukken af.

Pieter Bruegel de Oudere, De terugkeer van de kudde (1565)

Foto Kunsthistorisches Museum, Wenen

Daardoor zijn in Wenen bijvoorbeeld vier van de oorspronkelijk uit zes grote panelen bestaande reeks De Seizoenen (allemaal gemaakt in 1565) voor het eerst in 350 jaar bij elkaar te zien. En oh, wat een oogstrelende wonderen zijn De terugkeer van de kudde, als de herfst mild koesterend in aantocht is, en het bijna naïeve Jagers in de sneeuw. Daardoor sta je ook plotseling met je neus bovenop een vroege tekening, een bebost rivierlandschap met twee reizigers: dat kan maar even, want na deze tentoonstelling verdwijnt ze weer naar de particuliere, Amerikaanse collectie waaruit ze afkomstig is. Onze ‘eigen’, nooit uitgeleende Toren van Babel uit museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam hangt nu naast zijn veel grotere, met zekerheid in 1563 geschilderde broer in Wenen. Verdwaal tussen het architectonische gewemel, ontdek de kleine prozaïsche details die zo typisch voor Bruegel zijn: een Vlaamse rietboerderij op de ommegang van de Babylonische toren in Wenen, de was die te drogen hangt, terwijl hoog boven de wolken de bouwkranen nog takelen.

Pieter Bruegel de Oudere, de ‘Rotterdamse’ Toren van Babel (na 1563)

Foto Boijmans Van Beuningen/ Studio Tromp

Pieter Bruegel de Oudere, de ‘Weense’ Toren van Babel (na 1563)

Foto Kunsthistorisches Museum, Wenen

Samenwerking tussen experts

Het is niet verrassend dat een megatentoonstelling als deze jarenlange voorbereiding vergt. In 2012 al kreeg het Kunsthistorisches Museum in Wenen geld van de Getty Foundation en andere fondsen om ‘hun’ twaalf Bruegels te onderzoeken en te restaureren. Dat was de aanzet van een internationale samenwerking tussen experts op het gebied van Bruegel. Onder hen Manfred Sellink, vroeger ‘gewoon’ conservator bij museum Boijmans Van Beuningen maar inmiddels dé Bruegel-specialist, directeur van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Antwerpen en hoogleraar in Gent. Ook Ron Spronk, hoogleraar in het Canadese Kingston, bijzonder hoogleraar aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en specialist op het gebied van zestiende-eeuwse schildersmaterialen en -technieken, drukt zijn stempel op de tentoonstelling.

Pieter Bruegel de Oudere, Gezicht op de baai van Napels (ca. 1563)

Foto Franco Bocchino/ Galleria Doria Pamphilj, Rome

Panelen zijn niet alleen schoongemaakt, maar ook uitvoerig onderzocht. Met behulp van röntgen- en infraroodopnamen zijn ondertekeningen zichtbaar gemaakt die een schat aan informatie geven over de artistieke keuzes van Bruegel. Dendrologisch onderzoek maakte precieze dateringen mogelijk. Toeschrijvingen zijn opnieuw onder de loep genomen, herkomstgeschiedenissen nagevlooid, Bruegels schilder- en tekentechniek is aan alle kanten belicht.

Dat heeft geresulteerd in een tentoonstelling die je zowel breed kunt ervaren – met bijna alle belangrijkste schilderijen van Bruegel thematisch gerangschikt – als in de diepte. Die diepte vind je in kabinetten naast de grote zalen in het Kunsthistorisches, waar bijvoorbeeld wordt belicht welke schildertechniek Bruegel gebruikte om welk effect te verkrijgen. Hoe de kunstenaar zonlicht achter de wolken weer kon geven. Met welke kwast hij moffelt, losjes schetst, arceert, met welk penseel hij zijn ragfijne contouren schildert of de grondering aanbrengt.

Pieter Bruegel de Oudere, Boerenbruiloft (ca. 1567)

Foto Kunsthistorisches Museum, Wenen

Bruegel is in ons collectief bewustzijn geprent door de (eindeloze kopieën van) boerenbruiloften, boerenfeesten, zijn winterlandschappen en kinderspelen. Daarom is het zo bijzonder om nu ook in detail te kunnen treden. Op een groots, van leven wemelend altaarstuk als De Kruisdraging (1564) wordt de ondertekening door het nieuwe onderzoek zichtbaar. Een paard heeft eerst de oren plat opzij, de ogen staan schuin. Je ziet Bruegel fladderen met zijn potlood: nu eens zus, dan weer zo. En dan, uiteindelijk, ontstaat er een vorm, een hoofd, manen, een oor. Die vorm vindt de hand, lijkt het wel. Die vorm hecht zich aan de hand, in plaats van omgekeerd. En dat is een soort tovenarij van 450 jaar geleden.

Dezelfde betovering spreekt uit het paneel De Dood van Maria (1563/1565), een zeldzame grisaille uit Bruegels oeuvre. Uit de vergelijking met de prent in Wenen die Philips Galle naar Bruegels ‘grauwschildering’ maakte, blijkt hoe veel intiemer, intenser en ontroerender Bruegels werk is. Juist door te kiezen voor het eenvoudige bruin en grijs, en geen andere kleuren toe te laten, schept Bruegel een virtuoze, stille sterfscène.

Pieter Bruegel de Oudere, Kruisdraging (1564).

Foto Kunsthistorisches Museum, Wenen

Bijna iedereen aan het bed van Maria is in het donker gehuld. Schuin voor het doodsbed brandt een kaars, in de haard links brandt vuur, Petrus helpt Maria met het vasthouden van haar doodskaars. Het meeste licht in de voorstelling is echter van onnatuurlijke oorsprong en schijnt op het laken achter Maria’s rug. Naar dat licht moet ze toe, maar nu is ze nog heel even hier, tussen de mensen die van haar houden.

Pieter Bruegel de Oudere, De grote vissen eten de kleine (1557)

Foto Albertina, Wenen

    • Lucette ter Borg