Kunstprotest: Bali raakt te vol met toeristen

Beeldende kunst Balinese kunstenaars maken zich zorgen over de impact van het massatoerisme op hun eiland. Dat tonen ze ook op een tentoonstelling in Museum Volkenkunde Leiden.

Geniet van de Hel, I Wayan Budiarta, 2016 Foto’s Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

Op een duister schilderij omringen doodshoofden en graafmachines een volgebouwd rijstveld. Op een ander werk staan de inwoners van Bali tot hun enkels in het bloed. En midden in het atelier staat een meterslange haai, die kunstenaar Made Bayak heeft beplakt met tientallen slippers die hij op het strand heeft verzameld.

Het werk van Made Bayak laat weinig aan de verbeelding over. Hij maakt zich zorgen over het massatoerisme op Bali, het eiland waar hij is opgegroeid. „Ons kleine eiland raakt vol met goedkoop toerisme. We moeten proberen de balans tussen natuur en mensen te herstellen”, zegt Bayak.

Hij gebruikt vaak wikkels van frisdrankflesjes of plastic zakjes in zijn kunst, als aanklacht tegen de vervuiling van Bali. Een paar van de schilderijen waarin hij plastic heeft verwerkt zijn ook te zien op de tentoonstelling Bali, welcome to paradise die begin oktober is geopend in het Museum Volkenkunde in Leiden.

Protect our land, yard, and culture, Made Bayak, 2015. Made Bayak

De tentoonstelling gaat over de ontwikkeling van het Indonesische vakantie-eiland vanaf de koloniale jaren tot nu. „Ons idee is dat je met de kennis van een toerist binnenkomt en als ervaren reiziger weer vertrekt”, zegt conservator Francine Brinkgreve.

Paradijselijk beeld creëren

Ver vóór de wereldwijde bestseller Eat Pray Love (2006) van Elizabeth Gilbert, dat Bali als paradijs op aarde beschrijft, promootten koloniale Nederlanders het eiland als vakantiebestemming. Nederlandse militairen hadden Bali aan het begin van de twintigste eeuw met veel geweld ingenomen. „Om de wereld die agressie te laten vergeten, probeerde de koloniale overheid een paradijselijk beeld van Bali te creëren”, zegt Brinkgreve. Fotoboeken en vakantiebrochures uit die tijd staan vol plaatjes van mooie stranden, tempels en Balinese vrouwen, vaak met bloot bovenlijf.

Lees ook: Reisgids voor de ongewenste toerist

Kunst van toen was ook vooral gericht op toeristen. De Nederlandse schilder Rudolf Bonnet woonde in het groene kunstenaarsdorp Ubud en hielp lokale kunstenaars om hun kunst verkoopbaar te maken. Ze schilderden en tekenden de exotische kant van Bali, het perspectief dat mensen graag mee naar huis zouden willen nemen; idyllische tafereeltjes met veel rijstvelden, goden en hindoeïstische rituelen. Liefst in een formaat dat in een koffer past.

Een toerist pardoes was bovenop een voor hindoes heilig altaar gaan zitten voor een foto, tot ontzetting van veel inwoners

Nog steeds heeft Ubud veel ateliers en winkeltjes met schilderijen. Ook in lobby’s van hotels is vaak kunst te koop, met nog steeds diezelfde rijstvelden erop. Alleen kopen toeristen minder, omdat ze tegenwoordig veel korter blijven, zegt I Nyoman Darma Putra, hoogleraar aan de Udayana-universiteit op Bali. In plaats van twee weken blijven veel toeristen tegenwoordig maar een weekendje en dan zijn ze minder snel geneigd kunst te kopen. „Ik ben bezorgd over de teloorgang van de Balinese schildertechniek, het beeldhouwwerk en het smeden van zilver. Die vaardigheden sterven bijna uit.”

Klimmen op altaren

De kunstenaars van nu gaan zelf ook anders met het toerisme om. Sinds een paar jaar durven ze voorzichtig kritiek te leveren, vooral op de investeerders die het eiland volbouwen met hotels en luxe villa’s. Neem I Wayan Aris Sarmanta. Hij vertelt in een hippe art space in een rustig zijstraatje in Ubud dat zijn kunst vooral is bedoeld als boodschap aan Balinezen, die zich bewuster moeten zijn van de grenzen van hun eiland. „Ten tweede wil ik de ambtenaren bereiken die alle bouwvergunningen afgeven. De derde doelgroep is de investeerders en pas daarna is mijn kunst voor toeristen bedoeld. Dit probleem moeten we vooral intern oplossen.”

Eén van Sarmanta’s werken heet Bali not for sale, op het schilderij huilt een jongen van woede omdat investeerders zich zijn eiland toe-eigenen. Sarmanta hoopte stiekem dat conservator Brinkgreve dit schilderij níét voor de tentoonstelling in Leiden zou kiezen, vertelt hij. Hij had zijn hartenkreet graag in Bali gehouden. „Mijn gevoel van protest was zó sterk toen ik dit maakte.”

Bali Not for Sale, Tangis Amarah Pulau Kecil, I Wayan Aris Sarmanta, 2016. I Wayan Aris Sarmanta

Waar het om de bescherming van hun cultuur en religie gaat, vinden Balinezen het moeilijk om tegenwicht te bieden aan de massa’s toeristen. Toeristen die yoga-houdingen in tempels aannemen om een mindfulfoto op sociale media te kunnen zetten, vinden ze nog tot daar aan toe. Maar laatst was een toerist bovenop een – voor hindoes heilig – altaar gaan zitten voor een foto, tot ontzetting van veel inwoners. De gouverneur van Bali zei in reactie daarop dat hij overweegt om de toegang tot tempels voor toeristen te beperken.

Aanspreken op verkeerd gedrag

Balinezen zien tempels als het paleis van hun goden. Ze verwachten dus dat de tempels van hogerhand wel beschermd worden, zegt Gede Edi Saputra, een hindoeïstische priester die ook in de tentoonstelling aan het woord komt.

Wie toch een grens overgaat „zal straf krijgen”, zegt hij. Diegene wordt ziek of raakt op een andere manier gewond. Maar Saputra geeft ook toe dat het gewoon niet in de aard van Balinezen zit om boos te worden: „Balinezen zijn open en hartelijk. Ze moeten wat steviger worden en mensen aanspreken op verkeerd gedrag.”

Lees ook over het toerismebeleid in Amsterdam en Rotterdam: Massa’s zijn het nog niet. En dat moet zo blijven

De economische groei die Bali dankzij de miljoenen toeristen per jaar ondergaat, betekent ook dat de inwoners meer geld hebben voor hindoeïstische rituelen. Hoogleraar Darma Putra rekent voor dat de inwoners miljarden roepia’s per maand verdienen aan toeristen die de zonsondergang bij hun beroemde Tanah Lot-tempel komen bekijken. „Het is gratis geld voor hen. De lucht hoeven ze niet te onderhouden.” De keerzijde is dat religieuze rituelen toeristische trekjes krijgen. Bij sommige tempels nemen hindoes bijvoorbeeld een bad in voor hen heilig bronwater. Toeristen gaan ook het water in, maar die doen maar wat. Ze gaan onder waterstromen staan die bedoeld zijn om dode lichamen mee te wassen of ze nemen slokjes van het water. Ook hier geldt dat veel Balinezen te beleefd zijn om toeristen erop aan te spreken – de angst dat ze niet meer terugkomen, speelt ook nog mee.

Hindoelegendes

Veel Balinezen zijn bezorgd over de vervuiling en het langzaam maar zeker vol raken van hun eiland. Maar ze zijn weer niet zo bang dat hun religie ten onder gaat, of te veel beschadigd raakt, door het toerisme.

In kunst van nu is ook terug te zien dat de jonge generatie kunstenaars het hindoeïsme zeker nog serieus neemt. Zo heeft I Wayan Budiarta moderne interpretaties geschilderd van oude Balinese godenverhalen. De verleidingen van vroeger waren hemelnimfen. Budiarta heeft daarvoor in de plaats de logo’s van Facebook, YouTube en Google gebruikt. Zijn schilderijen hebben zeker geen ironische ondertoon over het hindoeïsme, vertelt hij: „Ik ben met het hindoeïsme opgegroeid, dit is wat ik ken. Dus ik gebruik de hindoelegendes als hulp bij mijn overdenkingen over hoe het leven in elkaar zit.”

Bali – Welcome to Paradise, tot en met 26 mei 2019 in Museum Volkenkunde Leiden, dinsdag t/m zondag van 10 tot 17 uur. Info: volkenkunde.nl

    • Annemarie Kas