Vrij zijn is...vogels herkennen

Vrij en fotograaf laten zien hoe we uit de sleur breken.

Pep. Pep-pep-pep. „Wat horen we nu?”, vraagt Floris de Boer (71). Hij houdt zijn vinger in de lucht alsof hij het zich echt afvraagt. Tien vrouwen staren naar de vinger. Ze luisteren. De Boer weet precies welke vogel zingt. Hij is „uitgesproken vogelaar” en natuurgids voor IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie, vandaag geeft De Boer de cursus ‘vogeltrek en wintervogels 2018’. Met tien vrouwen en één man, „het vogelen feminiseert”, loopt hij door de duinen van Wassenaar om vogels te spotten. Pep-pep-pep. „De keep?”, vraagt een cursist. „Nee, die doet keep-keep”, zegt een ander. „Een vink dan?” Ook niet goed. „Het is een graspieper, kijk.” Tien verrekijkers volgen de handbeweging van De Boer. In de struiken zit een bruin vogeltje met zwarte streepjes.

De enige die niet kijkt is Ben de Vreede (66). „Ik heb wel een verrekijker hoor.” Hij tikt op de pand van zijn zwarte jas. „Maar ik doe rustig aan. Eerst de kat uit de boom kijken.” Drie maanden geleden ging hij na dertig jaar „bij de post” met pensioen. Het bevalt. Hij ziet de kleinkinderen en doet het huishouden. „Mijn macaroni wordt steeds beter.” Vanwege „de lucht in zijn hoofd” volgt hij samen met vrouw Adrie (64), „nog niet met pensioen”, de vogelcursus. Drie avonden theorie en vier zaterdagen expeditie. Sinds dinsdag, hun eerste theorieles, weten ze wat trekvogels (die trekken), standvogels (die trekken niet) en jaarvogels zijn (die rouleren met verwante populaties uit noordelijkere gebieden). „En dat roodborstjes dol zijn op havervlokken”, zegt Adrie de Vreede.

Vergis je niet. Alle meeuwen zijn monsters

Floris de Boer

„Geen idee”, zegt projectleider Marion van Dongen (62) hard, nog voordat iemand roept wat er bij de volgende tjiep-tjiep zou kunnen horen. „Het is waarschijnlijk al te laat”, zegt ze. „Ik ben al blij als ik de namen van mensen kan onthouden.” Maar ja, Van Dongen heeft de natuur nou eenmaal nódig, „elke dag een uur naar buiten”. Als ze „met de meiden” een weekendje weg gaat, is Van Dongen de pispaal tijdens wandelingen. „Om de twee meter stop ik. Ik moet even kijken. Is dat een vinkje?”

Na anderhalf uur worden de boterhammen en thermoskannen gepakt. Pauze op het strand. Behalve voor De Boer. „Vijf meeuwen”, zegt hij en wappert met zijn armen. Vijf meeuwen leren de cursisten herkennen. „De grote en de kleine mantelmeeuw, de zilvermeeuw, de kokmeeuw en de stormmeeuw.” Die laatste ziet er met zijn bruine ogen best aardig uit. „Vergis je niet. Alle meeuwen zijn monsters”, zegt De Boer. „Ze eten vissen, futen en kuikens.” Wel kun je makkelijk indruk maken met meeuwenkennis. „De eerste vier jaar zijn alle meeuwen grijs-bruin. Pas daarna krijgen ze hun typerende verendek.” Hij wijst naar een grijs stipje in zee. „Nu moet je dus roepen: oh, een koksmeeuw, derdejaars.” De cursisten lachen. Dit gaan ze zeker onthouden.

    • Peter de Krom
    • Astrid van Rooij