Tineke de Ruiter was bescheiden, maar niet uit te vlakken

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Tineke de Ruiter (1952 – 2018) was dé kenner van de fotografiegeschiedenis in Nederland.

Tineke de Ruiter in 2009 voor een foto van Charlotte Dumas in Foam. Foto Vincent Mentzel / Foam

De dames haalden de dames uit de fotografiegeschiedenis naar boven, zo omschrijft Ingeborg Leijerzapf, oud-conservator fotografie van de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Leiden, de situatie begin jaren 80 aan de Rapenburg 65. „Mannen zoals Ed van der Elsken en Cas Oorthuys hadden de boventoon gevoerd in de geschiedenis van de Nederlandse fotografie. Tineke de Ruiter studeerde in 1984 af op Eva Besnyö; haar medestudent Hripsimé Visser, nu conservator fotografie van het Stedelijk Museum Amsterdam, op Emmy Andriesse. Beiden werden mijn assistent en samen met hen en andere aanstormende fotohistorici hebben we in Leiden de geschiedenis van de Nederlandse fotografie onderzocht, beschreven en onze kennis gedeeld met een groeiende groep studenten. Je moet bedenken; er was nog niets, er was geen internet waar we dingen konden opzoeken. Wij waren juist degenen die boeken en het internet met onze kennis moesten gaan vullen. We waren pioniers.”

Tineke de Ruiter, een van Nederlands fotohistorici van het eerste uur, overleed donderdag 27 september op 66-jarige leeftijd in Leiden aan de gevolgen van kanker. De ziekte werd vorig jaar geconstateerd, kort na haar pensionering aan de Leidse universiteit. „Een echte rotstreek”, zegt Hripsimé Visser, die deze zomer nog met haar echtgenoot Bas Vroege en Tineke een week vakantie vierde in hun Zuid-Franse vakantiehuis. „We hebben daar lekker gewandeld. Uitstapjes gemaakt naar de Camargue en natuurlijk het fotofestival in Arles bezocht. Tineke had nog zoveel plannen. Ze was geopereerd, had een chemokuur gehad en alles zag er weer goed uit. Ze had een tuin gekocht en verheugde zich erop te gaan tuinieren en mooie reizen te maken.”

„Sommige mensen weten niet wat ze na hun pensioen moeten gaan doen, maar daar had mijn moeder geen last van”, zegt De Ruiters zoon Teun Pijnnaken. „Ze was mantelzorger voor haar 95-jarige vader, vrijwilliger bij de schooltuinen, ze had een bijencursus gevolgd en wilde imker worden. Ook was ze van plan om elk jaar een paar maanden in een grote wereldstad te gaan wonen. Parijs, Londen.”

Tineke de Ruiter in 1981. Foto privé-archief Tineke de Ruiter

Zowel Leijerzapf als Visser typeert Tineke de Ruiter als iemand die liever niet op de voorgrond trad, een bescheiden en ‘lief mens’, trouw, perfectionistisch en met een enorme, bijna encyclopedische kennis over fotografie. „De bekwaamste vrouw in Nederland op het gebied van de fotografie”, zegt fotograaf Vincent Mentzel, die haar kende omdat ze samen betrokken waren bij de oprichting van het Amsterdamse fotomuseum Foam en daar jarenlang in het bestuur hebben gezeten. „Daar was ze heel trots op, dat het gelukt was zo’n instituut mede van de grond te tillen. Tineke is veel bij mij thuis geweest omdat ze de tekst over mij schreef voor het lexicon Geschiedenis van de Nederlandse fotografie. Ik kon haar wel iets vertellen over mijn werk of mijn carrière, maar daar nam ze geen genoegen mee. ‘Ik moet het zelf uitgezocht, vastgehouden en gezien hebben’, zei ze dan. Ze wist alles. En als ze eens iets niet wist, zei ze: ik zoek het uit, ik kom erop terug. Ze was grondig. Na haar pensionering wilde ze samen met mij mijn archief verder onderzoeken. Ze sommeerde me niks weg te gooien. Jarenlang heb ik knipsels, briefjes, notities opzij gelegd met de gedachte: dat is iets voor Tineke.”

Keerzijde

Dat die enorme zorgvuldigheid ook een keerzijde had, beschrijft Leijerzapf in het memoriam op de site van het Nederlands Fotogenootschap. „Perfectionistisch was Tineke. Zodanig dat helaas enkele veelbelovende en bijna voltooide onderzoeken uiteindelijk tot onze maar ook haar eigen frustratie niet in een publicatie zijn uitgemond, omdat zij dat ene feitje nog niet had geverifieerd of een onduidelijkheid in het onderzoek nog niet wist op te lossen. In de artikelen die zij in de loop der jaren publiceerde in het fotolexicon en in diverse boeken komen haar kennis, schrijfvermogen en onderzoekscapaciteiten goed tot uitdrukking, maar het aantal publicaties had wat mij betreft veel hoger mogen zijn.”

Claudia Thunnissen, die Tineke de Ruiter ontmoette tijdens de studie kunstgeschiedenis in Leiden: „Tineke was inderdaad niet iemand die op de voorgrond trad, maar ze wist wel precies wat ze wilde. In haar bescheidenheid wist ze toch een grote stempel te drukken.” Thunnissen roemt haar trouw. „We werden vrienden en dat is nooit meer overgegaan.” Ruim veertig jaar deelden beiden hun liefde voor kunst en architectuur, ze bezochten bijvoorbeeld alle edities van de Documenta in Kassel.

Die trouw legde De Ruiter ook aan de dag voor Eva Besnyö, over wie ze een boek schreef en die ze bleef bezoeken toen dat af was. Zoon Teun herinnert zich dat zijn moeder hem met regelmaat meenam naar Besnyö, ook toen de hoogbejaarde fotografe al in een verzorgingshuis woonde. „Dan ging ik als puber weer mee naar die ‘leuke oude dame’.” Dat vindt hij nu wel lastig, zegt hij: „Mijn moeder stond altijd voor anderen klaar, en nu gaat ze zelf als eerste.”

    • Rianne van Dijck