Recensie

Negentiende-eeuwse groupies van Frans Hals nu weer bijeen in Haarlem

Tentoonstelling

In de negentiende eeuw werd de Haarlemse schilder Frans Hals herontdekt door moderne kunstenaars. Beroemde fans stroomden uit heel de wereld toe, zo blijkt op de tentoonstelling ‘Frans Hals en de Modernen’ in Haarlem.

Frans Hals, Regentessen van het Oude Mannenhuis, 1664. James McNeill Whistler kroop onder een museumhekje door om de vrouwen op het doek over hun wang te kunnen strelen. Foto René Gerritsen

De Duitse schilder Lovis Corinth was haast beledigd toen hij eind negentiende eeuw voor het eerst met het werk van de Haarlemse meester Frans Hals geconfronteerd werd. „Hals, die schoft, schilderde net zoals ik”, schreef hij aan zijn vrouw. Het moet voor Corinth een schok geweest zijn om te zien dat er een kunstenaar was die twee eeuwen eerder al net zo vrij en impressionistisch kon schilderen als hij.

Vincent van Gogh zou volgens ooggetuigen in aanbidding hebben gepreveld ‘God, dat is nu schilderen’, toen hij Hals’ schilderij Vissersjongen (1632) zag. En de Amerikaan James McNeill Whistler kroop zelfs onder een museumhekje door om de Regentessen van het Oudemannenhuis (1664) over hun wang te kunnen strelen. Hij wilde snappen hoe Hals het toch voor elkaar had gekregen, om de uitdrukkingen zo goed, en de karakters zo levensecht af te beelden. Daarom was hij in 1902, als stokoude, zieke man, nog één keer naar Haarlem afgereisd.

Frans Hals, Vissersjongen, 1632/33. Olieverf op doek. Collectie Koninklijk museum voor Schone kunsten Antwerpen

Foto Hugo Maertens

Voor de negentiende-eeuwse realisten en impressionisten was Frans Hals (1582/83-1666) een waar idool. Ze vonden hem beter nog dan Rembrandt of Velázquez, omdat zijn verfstreken zo lekker los en wild waren, zijn poses altijd levendig en zijn portretten zeldzaam spontaan. Hoe groot die Hals-rage precies was, wordt nu schitterend in beeld gebracht op de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen in het Frans Hals Museum.

Met 120 topstukken, waaronder 50 voorname bruiklenen, worden in thematische zalen overtuigende verbanden gelegd tussen Hals en de moderne kunstenaars. De tentoonstelling heeft een fijne speelse indeling, met opgeblazen foto’s die de sfeer van Haarlem in de negentiende eeuw oproepen. De grootste schilderijenzaal, met de topstukken uit de eigen collectie, heeft voor de gelegenheid een salonopstelling gekregen – zo ongeveer moeten de negentiende-eeuwers hun museumbezoek ook hebben ervaren.

Strenge academische regels

Het was de Franse criticus Théophile Thoré-Bürger die Hals honderdvijftig jaar geleden herontdekte. In de achttiende eeuw was de Haarlemmer in de vergetelheid geraakt, omdat zijn vrolijke schilderijen niet voldeden aan de strenge regels van het academisme. Thoré-Bürger was in 1863 in het pas geopende Stedelijk Museum van Haarlem diep onder de indruk geraakt van Hals’ portretten. Lyrisch schreef hij in 1868 in het gezaghebbende Franse tijdschrift Gazette des Beaux-Arts over de regentenstukken: „Ik ken geen schilderijen die met zoveel elan zijn uitgevoerd (…) De levensgrote figuren, gemodelleerd in brede, zwierige toetsen, steken in reliëf buiten de lijst uit. Het is prachtig en bijna beangstigend.”

Frans Hals, Lachende Jongen, ca. 1625. Collectie Mauritshuis

Foto Ed Brandon/ Art View

De Franse schilder Manet bewonderde Frans Hals en kopieerde in 1872 in Haarlem diens ‘Regentessen’. Dat lang verloren gewaande doek is teruggevonden in Italië en nu te zien in het Frans Hals Museum.

Al snel stroomden de bewonderaars in groten getale toe. Per stoomboot, postkoets of trein kwamen ze op bedevaart naar Haarlem, dat in 1842 een eigen station had gekregen. Tussen 1862 en 1899 bezochten meer dan vijfhonderd kunstenaars het nieuwe museum, zo blijkt uit de bezoekersboeken. Onder hen grote namen als John Singer Sargent, Gustave Courbet, Claude Monet en Édouard Manet. In de tentoonstellingszalen van het gemeentehuis op de Grote Markt, waar het museum destijds gevestigd was, stonden talloze schildersezels opgesteld. Daar mochten de kunstenaars hun held naar hartenlust kopiëren.

Robert Henri, Lachtende jongen (Jopie van Slouten), 1910. Olieverf op doek, 61 x 51 cm. Collectie Birmingham Museum of Art, Alabama

Hals’ grootste fan, een groupie haast, was de Duitse impressionist Max Liebermann. Hij bezocht het museum in Haarlem zeker vijf keer, en maakte meer dan dertig kopieën. Door te oefenen op de koppen, de losse handen, hoopte hij zijn leermeester ooit te kunnen evenaren. Toen Liebermanns vrouw zwanger werd, spraken ze af dat als hun baby een jongen zou worden, hij Frans Hals Liebermann zou gaan heten. Het werd uiteindelijk een meisje.

Dronkaards en hoeren

Vooral de volkse types die Hals portretteerde, de dronkaards, de hoeren en de zigeuners, vielen bij de moderne schilders in de smaak. Ook zij wilden het leven van de straat vastleggen, met alle figuren die daar rondliepen. Malle Babbe (1630-1635), een portret van een verstandelijk gehandicapte Haarlemse vrouw met een bezeten grimas, is zo’n typisch Halsiaans genrestuk. Het schilderij hangt nu naast de kopie die Gustave Courbet er in 1869 van maakte. Je hebt de naambordjes nodig om te onderscheiden welk doek van wie is, zo goed is het nagemaakt.

Frans Hals, Malle Babbe, 1630/35. Olieverf op doek, 74 x 64 cm. Collectie Gemäldegalerie, Berlijn
Foto bpk/ Jörg P. Anders
Gustave Courbet, Malle Babbe, 1869. Olieverf op doek, 86,3 x 71 cm. Collectie Hamburger Kunsthalle
Foto bpk/ Elke Walford
Frans Hals, Malle Babbe, 1630/35. Olieverf op doek, 74 x 64 cm. Collectie Gemäldegalerie, Berlijn en Gustave Courbet, Malle Babbe, 1869. Olieverf op doek, 86,3 x 71 cm. Collectie Hamburger Kunsthalle
Foto’s Jörg P. Anders / Elke Walford

De laatste zaal van de tentoonstelling is gewijd aan negentiende-eeuwse fotografen als George Hendrik Breitner en Willem Witsen. Dat ook zij door Hals beïnvloed zouden zijn, is als idee wat te vergezocht. Ja, Frans Hals had een fotografisch oog, met zijn snapshotachtige composities en zijn informele poses. En ja, de fotografische portretten van Breitner en Witsen hebben diezelfde spontaniteit. Maar of zij ook echt naar Hals gekeken hebben, daarvoor ontbreekt ieder bewijs.

En Lovis Corinth? Die moest zijn liefde voor Hals met de dood bekopen. In 1925 reisde de Duitse schilder naar Nederland om de werken van zijn favoriete schilder nog één keer van dichtbij te bekijken. Hij kreeg longontsteking en stierf op 17 juli in Zandvoort, vlak voor zijn 67ste verjaardag.

    • Sandra Smallenburg