Deze tomaat past bij jouw genen

Eten Voor een paar honderd euro krijg je een persoonlijk voedingsadvies op basis van je DNA. Maar DNA vertelt lang niet alles. „Een diëtist kan je ook advies geven.”

Foto Thomas Nondh Jansen

‘Kun je mij de vitamine C aangeven?” Bij alle schaaltjes groente staat welke voedingsstoffen erin zitten. Alle honderd gasten bij dit diner krijgen een eigen menu, afgestemd op hun DNA. Tomatensoep of groentebouillon, volkorenspaghetti of een aardappeltaartje, bietjes of broccoli. Het hangt af van je genen. In een persoonlijk boekje is te lezen welk deel van je calorie-inname uit koolhydraten zou moeten bestaan en of je lichaam bepaalde vitaminen en mineralen goed opneemt. „Schenk mij nog maar een keer in”, zegt een genodigde. „Het schijnt dat mijn enzymen alcohol prima afbreken.”

Het ‘diner op maat’ vond begin oktober plaats in Monster, in de kassen van teler Koppert Cress. Het is georganiseerd door de stichting Vers+, dat willen laten zien welke waardevolle voedingsstoffen er in groenten zitten. Dat groenten gezond zijn, weten de mensen langzamerhand wel, daarom stuurde Vers+ een lokdoosje mee met de uitnodiging: een DNA-test, voor een persoonlijk voedingsadvies. „Hoe fijn zou het zijn als data je controle geven over je gezondheid bij griep, depressie of zwangerschap”, klinkt het in een speech.

De suggestie is: als je je genen kent, weet je beter welke groenten je moet eten. Ze zijn niet de enige: op internet kun je met een paar klikken een voedingsadvies op basis van je DNA bestellen. Maar is het zo simpel? Kun je met een DNA-analyse je voeding zo aanpassen dat je minder snel ziek wordt? Of zelfs beter wordt?

Berry Kriesels doet nooit gezondheidsclaims, zegt hij. Hij is directeur van Omnigen, het bedrijf dat het DNA van de honderd gasten heeft geanalyseerd op basis van een staafje met wangslijm. Er is alleen gekeken naar ‘voedingsmarkers’, genetische varianten die iets zeggen over de wijze waarop het lichaam energie, vitaminen en mineralen, maar ook alcohol en cafeïne verwerkt. Een verhoogde kans op ziektes als Alzheimer of Parkinson kun je ook aflezen, maar zul je van Omnigen niet te horen krijgen. „Dat is mijn rol niet. Daarvoor moet je bij een arts zijn, zodat je ook de nazorg krijgt die je nodig hebt als je dat hoort.”

De waarde van zo’n voedingstest moet je in perspectief zien, zegt Kriesels. Een DNA-analyse is een startpunt. „Het geeft richting, zodat je weet waar je op kunt letten. Je kunt wat meer vitamine C proberen te nemen als je weet dat je die minder goed dan gemiddeld opneemt. Maar ik zal nooit zeggen: heb je prostaatkanker? Hier, neem een tomaat.”

Maar stel nou dat je door DNA-onderzoek weet dat jouw lichaam baat heeft bij tomaat?

Genen spelen een kleine subtiele rol in individuele verschillen

Liesbeth Luijendijk, WUR

Aan de Wageningen Universiteit nemen onderzoekers DNA mee als een van de ‘biomarkers’ om voeding te personaliseren. Ze doen dat samen met onderzoeksinstituut TNO en het bedrijfsleven. Maar DNA is niet de heilige graal. „Het is één element op basis waarvan je een advies kunt geven”, zegt Liesbeth Luijendijk die zich aan de WUR vooral bezighoudt met de vraag hoe gewone consumenten eenvoudig kunnen meten wat ze eten. „Genen spelen een kleine, subtiele rol in individuele verschillen.” In Wageningen kijken ze ook naar bloedwaarden, bloeddruk, gewicht en de voorkeuren en omgeving van de consument – je kunt wel aanleg hebben om obesitas te ontwikkelen, maar een marathonloper zal hier niet snel last van krijgen.

Luijendijk verwacht dat er over tien, vijftien jaar smartphones zijn die met sensoren onze adem uitlezen om te zien wat we gegeten hebben, of aan een drupje speeksel kunnen zien hoe hoog onze bloedsuikerspiegel is. Bloeddruk of cholesterol kun je nu ook laten meten, maar het moet makkelijker worden om het zelf te doen en zo je voeding aan te passen. „Heel belangrijk: het moet wetenschappelijk goed onderbouwde adviezen opleveren en je moet zelf de baas blijven over je data.”

Intussen gaat ook het onderzoek naar biomarkers, indicatoren in het lichaam, door. Alle ogen zijn nu gericht op de darmen, waarin van alles gebeurt dat invloed heeft op de gezondheid, maar de vraag is hoe.

Geen zekerheden

Bij TNO doet Suzan Wopereis onderzoek voor het Amerikaanse DNA-bedrijf Habit, dat voor 299 dollar voedingsadviezen aanbiedt. In de VS kunnen klanten van Habit zelfs de ingrediënten van hun gepersonaliseerde recept laten bezorgen door Amazon. Het verschil met veel andere bedrijven, zegt Wopereis, is dat Habit naast een DNA-test ook een bloedtest doet en meet hoe het lichaam reageert op een drankje met hoge concentraties vet, eiwit en suiker. Het belangrijkste is de vraag welke ‘fenotypische’ kenmerken je hebt – overgewicht, hoge bloeddruk, et cetera: hoe externe factoren, zoals leefstijl, samen maken dat bepaalde genetische kenmerken ook tot uitdrukking kunnen komen.

Ook Wopereis zegt het: DNA alleen zegt niet zoveel. „Heel ernstige erfelijke stofwisselingsziektes kun je goed rapporteren.” Dat gebeurt ook al, bij de hielprik. „En zelfs dan is het soms onvoorspelbaar hoe een ziekte zich zal ontwikkelen. Aan kleine DNA-afwijkingen kun je geen zekerheden ontlenen. Je weet simpelweg niet hoe het lichaam reageert. En hoe voeding de werking van bepaalde enzymen verbetert is zelden goed onderzocht.”

Lees ook: We eten te veel suiker, en dat is niet alleen maar onze eigen schuld

En toch. Soms heb je er iets aan, weet Wopereis uit eigen ervaring. Zij liet haar DNA door het Amerikaanse bedrijf 23andme meten en bleek een afwijking te hebben in het MTHFR-gen dat met bloeddruk te maken heeft. Zelf had ze geen problemen, maar het voedde wel het vermoeden dat haar vader, die zijn bloeddruk maar niet omlaag kreeg, meer baat had bij vitamine B2 dan bij meer pillen. Dat bleek te kloppen.

Met een DNA-analyse leg je de verantwoordelijkheid bij de consument

Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid

Het DNA-denken past bij het idee dat je met afzonderlijke stofjes je voeding kunt verbeteren. En dat de ‘quantified self’, de mens die alles meet, ook een gezonder mens kan worden. Jaap Seidell, hoogleraar voeding en gezondheid aan de VU, gelooft er niet zo in. „Zou het werkelijk zo zijn dat een tomaat voor de één zoveel meer doet dan voor de ander? Verschillen mensen echt zo sterk in hun behoeftes? Ik waag het te betwijfelen.” Hij denkt dat we ons eerder ongezonder voelen als we ons voortdurend door data over ons lichaam laten bestoken en algoritmes voor ons laten denken.

Seidell begrijpt wel dat de voedingsindustrie graag investeert in DNA – Nestlé bijvoorbeeld. „Met een DNA-analyse leg je de verantwoordelijkheid bij de consument. Je hoeft niets aan je ongezonde assortiment te veranderen, want mensen weten immers zelf wat goed voor ze is.” Zo maak je voeding een particulier probleem, terwijl intussen de helft van de Nederlanders overgewicht heeft. Seidell stelt de retorische vraag: „Moet je dat dan individueel oplossen, met ieder gezinslid zijn eigen bordje, of kun je beter naar het totale voedselaanbod kijken zodat gezond eten voor iedereen makkelijker wordt? Ik ben niet tegen persoonlijk advies, maar dat kan een diëtist je ook geven. Daar heb je echt geen DNA voor nodig.”

De mens die alles meet

DNA is daarmee vooral interessant voor mensen die op details letten, voor wie elke procent telt. Topsporters bijvoorbeeld. Of ‘biohackers’. Peter Joosten (34) investeert sinds een jaar of vijf in zijn ‘maakbare zelf’ en publiceerde daar deze maand het boek Biohacking over. Zo’n 3.000 euro stak hij in bodyscans, bloedtesten, hormoononderzoek én een DNA-test. De ruwe data haalde hij door Promothease, een soort Wikipedia voor genen. Hij ontdekte dat hij een verhoogd risico op hart- en vaatziekten heeft – en kon opgelucht ademhalen toen de bodyscan hem gezond verklaarde. Hij is niet radicaal anders gaan eten. Maar toen hij zag dat zijn lichaam vet makkelijk opslaat, is hij gestopt met het ketogeen dieet, dat bestaat uit weinig koolhydraten maar relatief veel vet.

Lees ook: Het alcoholgebruik van de Nederlander is flink veranderd. Tijd voor wat vragen

Hij weet dat de voorspellende waarde van zijn DNA beperkt is. „Ik zie ook wel gevaren. Kan ik als leek die data wel interpreteren en relativeren? Ik ben er niet angstig door geworden overigens. Die testen geven, laat ik het voorzichtig zeggen, een gevoel van controle. En ze bevredigen mijn nieuwsgierigheid. Het enige dat ik niet hoef te weten is de datum van mijn overlijden. ”

    • Martine Kamsma