Recensie

De macabere kant van mooi Friesland: racisme en geweld

Recensie

Schilder Tjibbe Hooghiemstra houdt van het landschap van zijn geboortestreek de Friese Wouden, maar ziet er ook racisme en geweld, toont hij in museum Belvédère in Oranjewoud.

Brullende leeuw, de Lonsdale leeuw, totem van extreemrechtse jongeren in de Friese Wouden, geschilderd door Tjibbe Hooghiemstra John Stoel

Kijk om je heen en je ziet een boek, zegt de schilder Tjibbe Hooghiemstra. Zijn expositie heet Wâldman. Loop erdoorheen en je bladert door zijn werken die samen een verhaal vertellen. De sluipende landschappen maken de dienst uit, met steile boomstammen, pluizige takken, akkers als slordige lappen, een idee van een huis, een kraai. Met hun ruwe gekriebel en aardekleuren zijn ze uitbarstingen van gevoel. En er zijn woorden van drie in de Wouden geboren schrijvers. Zo citeert Hooghiemstra onder het schilderij van de kraai een strofe van de dichter Nyk de Vries: „We redden ons hier best”. Wegwezen jij, krast de kraai in mijn hoofd, jij hoort hier niet. ,,Ik doe met Nyks woorden wat ik doe met een tube blauw”, zegt Hooghiemstra.

Tjibbe Hooghiemstra (1957) is in de Friese Wouden geboren. Hij houdt hartstochtelijk van het landschap, dat vertellen de schilderijen en de schetsen. Maar hij laat zich niet verblinden. Er gaat iets schuil, het zit achter witte vliezen, achter een kras. Het schimmige bruin van de bomen plet het groen. Dezelfde onderkoelde razernij treft, aan het begin van de expositie, het lange gedicht van De Vries over de Friese Wouden:

Wie ik ben?

Waarom wil je dat weten?

Wat heeft dat ermee te maken?

Met Wâldman prikt Hooghiemstra de mythe van de ‘mienskip’ door, de Friese gemeenschapszin. „Mienskip is heilig verklaard”, zegt hij. Hij kent de keerzijde ervan en die is macaber. Tijdens zijn jaren in de Friese Wouden zag hij racisme, kindermisbruik, geweld, harddrugs. Hij zag ook dat iedereen wegkeek en toen hij probeerde in te grijpen, gebeurde er nog niks. Hij kreeg er „een pesthekel” aan. „Je kúnt je niet afzijdig houden. Soms moet je de kudde juist niet beschermen, daar komt mens zijn op neer”, zegt hij.

Verdriet en de Lonsdale leeuw

Kraai, schilderij van Hooghiemstra’s expositie Wâldman in museum Belvédère John Stoel

Zijn gram haalt hij in dat grote doek, besmeurd met de contouren van een brullende leeuw. Het is de Lonsdale-leeuw, totem van extreemrechtse jongeren in de Wâlden van wie het wangedrag werd weggewuifd. Zijn verdriet zit in die twee schilderijen in nachtblauw en maanwit, elk met een ijl getekend meisje in een poppenjurkje op de voorgrond. Oogjes open. Oogjes dicht. Zijn angst zit in de serie schetsen met dat eilandje. Water, een groepje bomen, mist, vegen. Het zijn variaties op een foto van een plaats delict, hij kreeg hem van een politieman. Hooghiemstra zoekt het kwaad, steeds weer gaat hij terug naar de scene of the crime. Hij bewerkte de foto. Maakte tekening na tekening na tekening, donker, licht, ijl, dik, vlek, kras. Niemand wilde zien wat hier is gebeurd en nu is het weg. Opgelost in het landschap.

Onderdeel van Wâldman is ook een klein, hebberig makend boek. De teksten, de beelden, de kleuren, het zwart. De sfeer, de kille drift. Alles is er. Sla pagina 56 op en je hoort het gedicht van Nyk de Vries, het komt uit een plat zwart luidsprekertje met witte draadjes. Het zit in het boek geplakt. „Mooi he”, zegt Hooghiemstra. „Net een bom”.

    • Joyce Roodnat