Opinie

    • Maarten Schinkel

Bijles, viool en verhuizen naar Azië

OMG, we dalen op de concurrentieranglijst van het World Economic Forum! Van een vierde plaats op in de Global Competitiveness Index zakten we dit jaar naar een zesde plek. Dat komt voor een deel omdat een andere rekenmethode is toegepast. Bij dezelfde methode zouden we van een vijfde naar een zesde plek zijn gezakt. Maar toch. Alarm!

Lijstjes zijn vermakelijk, lijstjes zijn handig. En fantastische clickbait. Maar saai zijn ze ook.

Van de meeste kun je bijna blind een toptien voorspellen. Round up the usual suspects: Scandinavische landen staan er vrijwel zonder uitzondering in. Wij. Zwitserland. In de regel ook Australië, Canada en Nieuw-Zeeland. Ierland en Duitsland ook vaak. Singapore, als het niet al te veel om vrijheid gaat.

De cliché toptien geldt voor de vrijheidsindex van Freedom House. Of de Fragile States Index (onderste tien). De Legatum Prosperity Index. Gallups Law & Order Index. De Corruption Perceptions Index. Of de Social Progress Index. De Protection of Property Index, of het World Happiness Report. En ga zo maar door. De Human Development Index van de Verenigde Naties is eigenlijk best een goede samenvatting – met de aloude toptien, trouwens.

In wezen tekenen deze ranglijsten allemaal een, soms overlappend en vaak samenhangend, deel van een samenleving op. Geen wonder dat de uitkomsten erg op elkaar lijken. Het meten van concurrentievermogen houdt weinig of geen rekening met welzijnsgerelateerde zaken. De Global Competitiveness is dan ook een van de weinige lijsten waar de Verenigde Staten op de eerste plek staan.

Als je een lijst der lijsten zou maken, economisch én maatschappelijk, dan zou het niet verbazen als Nederland in de topdrie staat van meest geweldige landen ter wereld. Maar wat zeggen zulke cijfers? Volgens de Human Development Index had een Witrus het in 2017 bijna even goed als een Nederlander in 1990. Zou het?

Lijsten geven een indruk van hoe de situatie nu is. Er zijn er vrijwel geen die de toekomst in kijken. Maar vorige week kwam de Wereldbank met iets nieuws: de Human Capital Index. Die meet data over gezondheid en scholing. Denk aan levensverwachting, sterfte tot vijf jaar, aantal jaren op school, gemiddelde testscores op school, en het risico dat vroege ondervoeding of verwaarlozing tot ontwikkelingsachterstand leidt.

Die data worden gecombineerd, en daaruit rolt een indicatie van de hoeveelheid menselijk kapitaal dat een kind dat nu geboren wordt op zijn of haar achttiende zal bezitten. De resultaten: in de toptien staan Finland, Ierland, Australië, Zweden, Nederland en Canada.

Niets nieuws? Wacht: op de eerste vier plaatsen staan Singapore, Zuid-Korea, Japan en Hongkong. Met grote afstand, trouwens. China staat op een verre 47ste plek. Maar aannemelijk is dat in dit diverse land met 1,4 miljard inwoners veel kustprovincies, met de grootte van een heel land, ook een topnotering zouden hebben. De Verenigde Staten staan overigens op plaats 25.

Dat is best confronterend: het menselijk kapitaal van morgen bevindt zich in Azië. Dat is misschien wel het goede van de ranglijst. In plaats van een bevestiging van hoe geweldig we wel niet zijn, geeft deze aan hoe veel werk er aan de winkel is. En hoe bezorgd veel landen moeten zijn over de economie van straks. Emigreren om de kinderen een betere toekomst te geven? Tijgermoeders en -vaders weten waar ze naartoe moeten.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel