Achter Ibsen hing altijd die dreigende Strindberg

Kunst op reis Waar leefden kunstenaars? Op reis naar de plekken waar zij hun stempel drukten. Deze week het donkere huis van Henrik Ibsen in Oslo

In het donkere appartement waar de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen zijn laatste jaren doorbracht met zijn vrouw Suzannah en zoon Sigurd, is eigenlijk maar één ding echt van belang. Als je het eenmaal hebt gezien, vergeet je het nooit meer.

Dat ene ding is een levensgroot schilderij van Ibsens aartsrivaal, de al even beroemde Zweedse toneelschrijver August Strindberg. Dat schilderij hangt donker en dreigend in Ibsens werkkamer.

Als Ibsen (1828-1906) schreef, zat hij met zijn rug naar dat schilderij en keek hij uit op het koninklijke park. Zijn donkerhouten werktafel staat aan het raam aan wat nu Henrik Ibsens gate heet – de Ibsenstraat, die uitkomt bij het Nationaal Theater waarvan hij jaren directeur was. ’s Winters, als de bomen hun blad verloren, kon Ibsen vanaf zijn stoel zien of de koning thuis was. En zodra hij zich omdraaide, zag hij die enorme Strindberg.

Na Suzannahs dood in 1914 zegde zoon Sigurd de huur op. De meubels belandden overal en nergens. Bij familie. In zijn huis in Italië, waar Ibsen jaren woonde voor hij dit appartement betrok. In zijn geboorteplaats Skien. In een museum in Oslo, dat in Ibsens tijd nog Kristiania heette. Pas in 1990 werd het appartement opnieuw gehuurd door een ver familielid. Een voor een zijn de oude meubels teruggehaald of nagemaakt. Het linoleum met tegelmotief, toen hypermodern, is nagemaakt. De muren zijn in hetzelfde donkere groen, rood, bruin en blauw geverfd. In de hoek staan hoge, keramische Scandinavische kachels. Zelfs het bad en Ibsens bed, waarin hij de laatste woorden „Tvert Imod!” sprak („Integendeel!”), zijn nagemaakt. Schitterend allemaal, hoewel ietwat bedompt.

Meer nog dan in het museum beneden krijg je in dit appartement een idee van hoe een van de bekendste Noren aller tijden leefde. Maar die zwijgende, barse Strindberg aan de muur slaat op een of andere manier alles. Ibsen had het opgehangen om zichzelf scherp te houden: als waarschuwing dat hij elk moment in de schaduw kon worden gesteld door zijn Zweedse rivaal, die 21 jaar jonger was. Ibsen zei ooit tegen een vriend: „Ik krijg geen woord uit mijn pen als die gek niet naar mij kijkt.”

Opgroeien in armoe

Ibsen en Strindberg hebben het Scandinavische toneel op de kaart gezet. Hun werk wordt nog dagelijks opgevoerd. Vaak worden ze in één adem genoemd, maar ze waren radicaal verschillend. Ze konden elkaar zelfs niet luchten of zien.

Strindberg kwam uit een trotse, gevestigde cultuur. Hij was emotioneel en labiel. Zijn toneelstukken reflecteren dat. Strindberg pookte in de krochten van de menselijke ziel tot het ondraaglijk werd, ook voor hem. Hij schreef over menselijke relaties, seks en jaloezie. Ibsen groeide in armoe op. Net als zijn land, een land zonder aristocratie, werkte hij zichzelf omhoog. Van apothekersassistent tot toneelschrijver en buurman van de koning. Na Shakespeare en Tsjechov wordt hij het vaakst opgevoerd.

Maar de gelauwerde Ibsen in zijn donkere appartement met de draperieën vergat zijn afkomst nooit. Zijn werk was gestructureerd, als om het te wapenen tegen vergetelheid. Zijn thema’s waren sociaal-maatschappelijk. Het ging over emancipatie, moraal versus traditie, individuele ontwikkeling versus familie. Zijn personages spreken heldere taal, zonder overbodige adjectieven. Velen waren hun tijd vooruit. Mede daardoor zijn Hedda Gabler of Een Poppenhuis nog zo leesbaar. En speelbaar.

Als je de trap weer afgaat, weet je voor eens en altijd dat je bij de naam Ibsen en al zijn fameuze stukken altijd ook even aan Strindberg moet denken.

    • Caroline de Gruyter