Recensie

Studio 54 was de ultieme ontsnapping uit het alledaagse

Documentaire

Ian Schrager, de voormalige eigenaar van de New Yorkse club Studio 54, zat begin jaren tachtig twintig maanden in de cel. In Studio 54 vertelt hij zijn fascinerende verhaal.

Bekende gasten bij Studio 54, met van links naar rechts Liza Minnelli, Bianca Jagger en Andy Warhol. Foto Adam Schull

Een gerespecteerd man is hij inmiddels, Ian Schrager (1946): oprichter en eigenaar van tientallen design hotels, multimiljonair en vader van vijf kinderen. Vakgenoten roemen zijn oog voor detail en zakelijke intuïtie, maar zijn eerste succes zit hem nog altijd dwars. Studio 54, de New Yorkse nachtclub die hij in 1977 oprichtte met boezemvriend Steve Rubell, groeide in een kleine drie jaar uit tot een legende en eindigde in gevangenisstraf. Twintig maanden zitten blijft beschamend, zelfs al heeft president Obama je een volledig pardon verleend.

De documentaire Studio 54, die afgelopen maandag een passende Nederlandse première beleefde in de Amsterdamse club Escape, is gemaakt op Schragers initiatief: veertig jaar na dato vond hij het tijd om zijn kant van het verhaal te vertellen en benaderde hij journalist en regisseur Matt Tyrnauer, een oude kennis die hij ‘vertrouwde’. Het leverde meer op dan je op basis van zo’n subjectief uitgangspunt zou verwachten: Tyrnauer ging te werk als een sociaal historicus, grondig en met de nodige afstand, en voltooide een boeiend mozaïek van interviews, foto’s, tv-fragmenten en filmbeelden. Waar Schrager soms hapert en stamelt, vullen anderen - de portier, een grimeuse, Steve Rubells sympathieke broer - het verhaal unverfroren aan.

Alleen al de locatie van Studio 54 was megalomaan. Het pand uit 1927 op 254 West 54th Street, in Midtown Manhattan, was oorspronkelijk een operahuis en diende vervolgens als radio- en tv-studio van CBS. In 1976 stond het te koop, symbool van vergane glorie in een vervallen wijk, en begin 1977 werd het overgenomen door Schrager en zijn dispuutsmaatje Rubell, twee joodse jongens uit Brooklyn met een gedeelde brandende ambitie om het te maken op Manhattan. Na zes weken verbouwen kon hun droomproject open: een nachtclub als een theater voor de ultieme ontsnapping uit het grauwe alledaagse, waar licht en decor en muziek (disco, het van oorsprong zwarte genre dat in de gay clubs opgang maakte) de menigte op zou zwepen. Als die tenminste kwam.

Coke en quaaludes

Op de openingsavond op 26 april waren Donald en Ivana Trump een van de eersten die aarzelend aanklopten; binnen was het nog leeg, de dansvloer was net af. Tegen elven waren er duizenden nieuwsgierigen en liep het verkeer buiten vast. Frank Sinatra en Warren Beatty kwamen er niet meer door. Binnen vloeiden drank en drugs van meet af aan rijkelijk; de drank werd verkocht met een zogenaamde catering-licentie die per avond vernieuwd werd, de drugs – coke en quaaludes vooral – werden zowel verhandeld als gratis uitgedeeld door Rubell, zelf een grootgebruiker, die wist hoe hij ‘special people’ aan zijn club moest binden. Truman Capote, Liza Minnelli, Andy Warhol en andere beroemde outcasts vonden er een tweede huis; een piepjonge Michael Jackson voelde zich er vrij op de dansvloer. Het plebs was een parade van paradijsvogels, homo en hetero, jong en soms heel oud, naakt of in lingerie of travestie. Alles leek te mogen. Van aids had nog niemand gehoord.

Een bezoeker, slechts gekleed in een laagje goudverf, in Studio 54. Jaartal onbekend. Foto Ron Gallela

Maar wie niet knap was, wie gewoontjes was of erger, ‘bridge-and-tunnel’ (van buiten Manhattan), die kon het vergeten. Het brute deurbeleid werd deel van de legende. Als een regisseur castte Rubell voor elke magische avond sterspelers en figuranten voor een perfecte ‘gemengde salade’. „Jij hebt je niet geschoren. Ga naar huis”, knauwt hij in plat Brooklynites tegen een man in de meute.

Schrager was Rubells tegenpool: introvert, publiciteitsschuw. Als het feest eenmaal op gang was, ging ‘Greta’ (zijn bijnaam, naar Greta Garbo) naar huis. Met Rubell had hij een diepe, broederlijke band, maar over diens homoseksuele escapades spraken ze niet.

Maar braaf was Schrager allerminst. Met geamuseerde verbijstering verhaalt hij hoe Rubell en hijzelf, high van het succes, roekeloos miljoenen dollars wegsluisden: „We kwamen overal mee weg!” Toen

Rubell tegen een journalist opschepte dat ‘alleen de maffia meer verdiende’ ging het mis: een inval op klaarlichte dag met meer dan twintig agenten. In de documentaire wordt de agressie van de FBI deels verklaard uit jaloezie; de aanklager die aan het woord komt doet in zijn verbetenheid inderdaad denken aan het jongetje dat niet gevraagd wordt op het klassenfeestje. Zelfs de geslepen maffia-advocaat Roy Cohn kon het einde van het sprookje niet voorkomen - de tent moest dicht, Rubell en Schrager gingen de cel in.

Branieschoppertje

Studio 54 is al eerder in fictieve vorm tot leven gewekt: in 54 (1998) speelt Ryan Phillippe een simpele jongen die het dankzij zijn engelachtig fysiek tot barman en club-superster schopt – een beetje slome film, met Mike Myers als een wel erg doortrapte Steve Rubell. Uit de documentaire komt Rubell, in 1989 aan de gevolgen van aids overleden, eerder als een al te gretig branieschoppertje naar voren, die moeite had met de wereld buiten zijn zelf opgetrokken spiegelpaleis.

Tyrnauers documentaire weet een aardig insiders-gevoel op te roepen, vooral dankzij de niet eerder vertoonde 16-mm filmbeelden die studenten ter plekke mochten opnemen. Toch blijft de roes van die volle dansvloer iets ongrijpbaar vluchtigs. De Britse journalist Anthony Haden-Guest kwam in The Last Party (1997) misschien nog het dichtst bij: hij feestte zelf mee, en verweefde zijn herinneringen met uitgebreide interviews in een even ranzig als weemoedig boek over New York’s ‘Nightworld’. Studio 54 droeg met zijn honger naar roem en publiciteit wrang genoeg bij aan het transparante publieke leven dat we nu kennen: de nacht is overbelicht, het gedrag uniform. „Er zijn maar weinig momenten in het leven dat je echt helemaal vrij bent”, zegt Ian Schrager in de documentaire. Aan de glans in zijn ogen is te zien dat hij ze heeft gekend.

    • Sandra Heerma van Voss