Raoul Steffani

Foto Lars van den Brink

Bariton Raoul Steffani: ‘Daarom vind ik deze zangers goed’

Raoul Steffani

Bariton Raoul Steffani (26) droomt van zingen aan de Weense Staatsoper en bracht net zijn debuutalbum Deep in a dream uit. Voor NRC stelde hij een audio-tour samen langs de do’s en dont’s van de klassieke zangkunst. Wat is mooi? Wat niet? En waarom?

Aan de wanden van zijn studentenstudio hangt een antieke kleurenprent van de Wiener Hofoper anno 1872. Wandelaars met hoge hoeden en wijde rokken passeren het vertrouwde operagebouw, trams of auto’s zijn er nog niet. „Het is mijn ultieme droom”, zegt Raoul Steffani. „Ooit wil ik de rol van Eisenstein in Die Fledermaus zingen aan de Wiener Staatsoper.”

Voorlopig is het toekomstmuziek, maar er zijn maar weinig zangers die op hun 26ste al zo ver zijn als Steffani. Een studie in Wenen, masterclasses bij Thomas Hampson en vooral frequente lessen bij de wereldberoemde Amsterdamse pedagoog Margreet Honig (80) werpen vruchten af: hij won in 2016 de Elisabeth Evertsprijs, dit jaar volgden de Grachtenfestivalprijs en de publieksprijs van Dutch Classical Talent. „Margreet Honig doceert maximale natuurlijkheid”, vat Steffani samen. „Ze heeft me de eerste twee jaar alleen maar dingen afgeleerd. Niks in je stem willen forceren, dat is de essentie.”

Deze week verschijnt Steffani’s debuutalbum, gewijd aan betrekkelijk onbekend klassiek liedrepertoire. Naast Schumanns Liederkreis op. 24 koos hij voor vroege liederen van Grieg, Sibelius en Berg. Gerold Huber (49), wereldberoemd als pianobegeleider van bariton Christian Gerhaher, treedt op als Steffani’s duopartner. „Zonder Huber zou ik nog een paar jaar met mijn debuut-cd hebben gewacht”, zegt Steffani. „Er hangt veel van af immers, en ik heb geen haast. Maar werken met Gerold Huber was een kans die ik niet wilde laten liggen.”

Steffani houdt van cd’s – nieuw en oud. Over goede en minder goede uitvoeringen heeft hij heldere ideeën. Het idee een ochtend samen opnames te beluisteren ontstaat als hij na een recital in de Amsterdamse concertserie Grote Zangers gedetailleerd commentaar heeft op technische aspecten. Wat was goed, wat niet, en waarom eigenlijk? Raoul Steffani legt het graag en duidelijk uit.

Anne Sofie von Otter (mezzosopraan) en Bengt Forsberg (piano)

Erich Wolfgang Korngold, ‘Liebesbriefchen’ Opname uit 1994.

„Een mooie of makkelijke stem kan een cadeau zijn van de natuur, maar het maakt je niet tot een groot zanger. Oren en fysieke coördinatie zijn veel belangrijker. Bespeur je ergens een rare triller, iets van spanning op de stem? Ben je in staat het probleem helder te identificeren, en het bij te schaven? De volgende stap vooruit zit altijd in jezelf.

„Mogen we met iets heel goeds beginnen? Hét schoolvoorbeeld van iemand die geweldig zingt en bovendien echt haar eigen pad volgt, is voor mij de Zweedse mezzosopraan Anne Sofie von Otter. Behalve belcanto heeft ze alles gezongen van barok tot Abba. Ze is 63 en heeft nog steeds zangles. Haar klank weerspiegelt die inzet. Besef van tekst en stijl staan centraal. Haar uitspraak is in alle talen fenomenaal. En dan die vrije, open klank, die zo prachtig naar boven zweeft. Slank, en rond. In één woord: ideaal.”

Benjamin Appl (bariton) en James Baillieu (piano).

Edvard Grieg, ‘Gruss’. Opname uit 2016.

„Toen ik nog erg jong was, tien of zo, vroeg iemand me wat ik wilde worden. ‘Zanger’, zei ik, al wist ik niet wat dat precies inhield. Ik zong gewoon graag. En zo is het altijd gebleven. Zingen is een fysieke sensatie en in die zin zelfs verslavend. Soms lukt het me met zo veel resonans te zingen dat mijn vingers meetrillen. Dat is zó fantastisch, dat bezorgt me een diep geluksgevoel.

„Dit lied van Grieg staat ook op mijn eigen cd. Benjamin Appl heeft een lichte, hoge stem, maar hij zingt hier veel lager dan de oorspronkelijke ligging. De extatische hoge noten ben je dan kwijt, maar je haalt ook de glans van je stem én je gaat voorbij aan de klank en de inspanning die de componist voor oren hebben gestaan.

„Ik vind Appl hier eerlijk gezegd ook een beetje gemaakt klinken: donker, ouwelijk. Terwijl dit zo’n lief, klein liedje is. Zoals pianist Graham Johnson zei: ‘alsof er een vogeltje op je hand gaat zitten’.”

Anton Dermota (tenor), Richard Strauss (piano).

Richard Strauss, ‘Zueignung’ Opname uit 1942.

„Altijd als ik een lied van Strauss ga zingen, beluister ik ter voorbereiding zijn eigen opnames. Er zijn weinig klinkende voorbeelden van de uitvoeringstraditie van de 19de en vroeg 20ste eeuw bewaard, maar hier demonstreert Strauss zelf hoeveel breder en vrijer het klankideaal destijds was. Strauss toont zich ook heel flexibel: hij begeleidt de ene zanger in het zelfde lied anders dan de ander. Soms speelt hij ook ‘vulnoten’ die niet in de bladmuziek staan, of hij laat noten weg. Wie zou dat nu nog wagen?

„Om zijn vocale souplesse is tenor Anton Dermota (1910-1989) voor mij een voorbeeld. Wat je hoort is op en top wendbaar, elegant en verzorgd, maar niet truttig. En ik vind zijn geluid ook heel eigen. Opnamen waren in die tijd nog vrij schaars, en dat maakte de zangers authentieker: ze moesten hun klankideaal en interpretatie wel grotendeels uit zichzelf halen. Als mensen soms vragen waarom er tegenwoordig geen vocale sterren meer zijn van het kaliber van Maria Callas, is dat ook mijn verklaring.”

Thomas Hampson (bariton) en Wiener Philharmoniker/ L. Bernstein.

Gustav Mahler, ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’. Opname 1991.

„Een held in mijn eigen stemtype kan ik lastig aanwijzen. Ik was lange tijd heel gek op Thomas Hampson. Zijn oude opnames van de liederen van Mahler zijn, door zijn prachtige lichte hoogte, nog steeds onovertroffen. Ook voor de meer lyrische opera-rollen werkte zijn benadering fantastisch. Maar zijn laagte heeft hij door de manier waarop hij zingt niet tot volle rijkdom ontwikkeld. In zijn latere Verdi-rollen mis ik daardoor de nodige diepte en laagte.”

Konrad Jarnot (bariton), Reinhild Mees (piano).

Erich Wolfgang Korngold, ‘Sommer’. Opname uit 2016.

„Ik wil graag nog een lied van Korngold invoegen. Hij is de laatste grote Weense romanticus, en het is volkomen onterecht dat zijn liederen nog steeds een goed bewaard geheim zijn. Konrad Jarnot weet stijl en de sfeer haarfijn te treffen. Zijn klank is rond en diep, maar behoudt een lichte glans. Op mijn eigen cd heb ik in de liederen van Berg en Grieg ook gestreefd naar een dergelijke kleurrijke, lichte klank. Sommigen zullen mijn aanpak misschien té licht vinden. Maar dat is dus een bewuste keuze.”

Fritz Wunderlich (tenor), Hubert Giesen (piano).

Ludwig von Beethoven, ‘Adelaide’. Opname uit 1966.

„Tenor Fritz Wunderlich mag absoluut niet ontbreken Om zijn prachtige legato, zijn volmaakte dictie en het jaloersmakende gemak waarmee hij slank door alle overgangpassages in zijn stem naar boven glijdt om daar dan weer tot nieuwe bloei te komen.

„Luister hoe hij ‘Adelaide’ zingt, en vergelijk dat met de aanpak van Benjamin Appl. Appl verkleurt in de hoogte zijn ‘aa’ bewust naar een meer gedempt ‘ah’, om te voorkomen dat hij te open of schel gaat klinken. Wunderlich demonstreert met zijn pure en natuurlijke vocalen hoe het wel moet. Omdat hij de stroom van zijn stem beheerst en zijn mondopening klein houdt, zorgt de resonans van zijn lichaam er vanzelf voor dat de klank rond blijft, in elk register prachtig openbloeit en niet te hel wordt.

„Veel zangers benemen je het zicht op hun eigen geluid, omdat ze trucjes toepassen. Ik kan zelf op een feestje ook croonen als de oude Elvis. En als ik de bas-aria’s in Bachs Matthäus Passion zing, kies ik soms bewust voor een wat donkerdere klank. Die klank kan ik maken. Maar dat bén ik niet. Bij Wunderlich hoor je altijd alleen Wunderlich. Die eerlijke, pure klank - dat vind ik het hoogste goed. In lied en opera. En die benadering ontroert ook het meest, denk ik.”

Eduard Wächter (bariton), Alfred Brendel (piano).

Robert Schumann, ‘Ich grolle nicht’. Opname uit 1962.

„Met behulp van een gezonde techniek piekt een bariton tussen zijn 30ste en 50ste levensjaar. Maar het is ongelofelijk moeilijk om constant in vocale topvorm te blijven, al was het maar omdat je stem en lichaam in de loop der tijd veranderen, nog los van alle externe factoren die van invloed zijn. Vaak zie je dat zangers rond hun 50ste in een moeilijke fase komen en hun techniek opnieuw moeten verfijnen, denk maar aan zangers als Olaf Bär en Bo Skovhus. Ook Bryn Terfel beleefde een crisis. De opperste controle was weg. Gelukkig herpakte hij zich later.

„De Oostenrijker Eberhard (Freiherr von) Wächter, telg uit een oude adellijke familie, maakte al betrekkelijk vroeg een crisis door. In dit lied hoor je hem in zijn glorietijd. Na zijn crisis kwam de glans op zijn stem nooit meer helemaal terug. Hij werd acteur in operettefilms en ontpopte zich tot publiekslieveling - een soort kruising tussen Toon Hermans en André van Duin.

„Maar soms gaat het ook wel goed. Van Christopher Maltman, nu tegen de vijftig, hoorde ik laatst een fantastisch recital. Maar de cd’s van 10 jaar geleden die ik vervolgens kocht, bevielen me niet, Maltman miste daarop de vocale brille die hij live wel had en hij klonk ook minder vrij.

„Ook Thomas Allen bezit op late leeftijd nog een jaloersmakend fris geluid, met een hele soepele hoogte.”

Ida Ekman (sopraan) en Karl Ekman (piano).

Jean Sibelius, ‘Var det en dröm?’. Opname uit 1904.

„Sinds ik als kind Zweedse popmuziek uit de jaren zeventig hoorde, houd ik van de mysterieuze sfeer van Scandinavische talen. Zozeer zelfs, dat ik ze nu studeer aan de Universiteit van Amsterdam. Misschien is het het zangerige dat mij, Limburger, aantrekt. Sommige woorden zijn zelfs het zelfde in het Zweeds en het Limburgs, zoals ‘socker’, suiker.

„Hoe dan ook vind ik het een leuke zoektocht me de stijl en taal van dit repertoire echt goed eigen te maken. De liederen van Sibelius zijn in wezen kort, maar ze voelen veel breder en ongrijpbaarder aan. Gaat dit lied nou over de natuur, of over een onschuldig meisje? Dat ambigue spreekt me aan, ik houd van liederen om het spel met taal, sfeer en betekenis.”

„Sibelius componeerde ‘Var det en dröm? in 1902, deze opname is van 1904. En omdat sopraan Ida Ekman (1875-1942) Sibelius’ muze was, geeft haar uitvoering een goed idee van zijn ware voorkeuren. Hij schreef Ekman trouwens dat hij dit zelf zijn „allermooiste lied” vond, en dat vind ik ook.

„Interessant is het te beluisteren hoe breed Ekman hier zingt, en hoe licht tegelijkertijd. Haar laagte vinden we nu lelijk. Toen dacht men daar blijkbaar anders over. Waarmee ik maar wil zeggen: smaak is relatief, en je moet je altijd realiseren dat je eigen opvattingen ook een product zijn van je eigen tijd.”

    • Mischa Spel