In het volleybal draait alles om de teamprestatie

WK volleybal

De prestaties van de Nederlandse vrouwen op het WK plaatsen het volleybal in de schijnwerpers. Wat weten we precies over deze sport?

Het Nederlandse blok in actie tegen China, dat dinsdag met 3-1 te sterk was voor Oranje. Foto Martin Bureau/ANP

De Nederlandse volleybalsters maken met hun opmars bij het WK in Japan nogal wat los. Het bereiken van de halve finales – de beste prestatie ooit van de Nederlandse vrouwen – dwingt bij steeds meer mensen respect af.

Speelsters als Lonneke Slöetjes, Celeste Plak of Laura Dijkema zijn opeens namen die direct zullen worden geassocieerd met volleybal. Hun roem zal wellicht de sportwereld overstijgen als Nederland vrijdagochtend (06.40 uur Nederlandse tijd) in de halve finale Servië weet te verslaan.

De toenemende populariteit ten spijt, blijft volleybal voor buitenstaanders een mystiek spel. Ja, dat een tegen de grond geslagen bal een punt oplevert, begrijp iedereen, maar daar blijft het veelal bij.

Is volleybal een exclusieve sport, alleen geschikt voor lange mensen? Wanneer krijgt iemand welke bal? Wat betekenen die vingeraanwijzingen achter de rug? Bevordert een contactloze sport het wederzijdse respect tussen beide teams? Hoe groot is de rol van de coach? En vanwaar toch dat voortdurende handjeklap tussen ploeggenoten?

Aan de hand van vijf stellingen poogt Redbad Strikwerda (54) het spel voor de leek te ontrafelen. Hij is de mannencoach van topdivisieclub Dynamo Apeldoorn en heeft diverse Nederlandse titels achter zijn naam staan. Maar bij de aanstelling van een bondscoach is hij tot nu door de bestuurders voortdurend genegeerd. Vanwege zijn uitgesproken meningen, veronderstelt de coach zelf. Maar het vakmanschap van Strikwerda wordt desondanks in de volleybalwereld breed gerespecteerd.

  1. Een volleyballer moet lang zijn

    „Pertinente onzin”, zegt Strikwerda. „Een team kan prima functioneren met relatief kleine spelers. Nee, geen zes, dat werkt niet, maar twee ‘kleintjes’ in een team is geen beletsel. Gebrek aan lengte moet gecompenseerd worden, dat wel, met sprongvermogen en agressie bijvoorbeeld. Maret Balkestein-Grothues [1.80 meter] is bij het Nederlands vrouwenteam het levende bewijs daarvan. Zij heeft lak aan de heersende opvatting dat lengte allesbepalend is. Haar tekort aan lengte compenseert ze met een oerdegelijke pass en ook goede aanvallen, vergis je niet. Zij is een complete speelster, ontegenzeglijk de leider van het Nederlands team. Trouwens, lengte maakt iemand niet bij voorbaat tot een goede volleyballer. Daar komt ook een ontwikkelde motoriek en bewegingssnelheid bij kijken. En niet te vergeten: mentale kracht. Een goede speler moet met stress kunnen omgang. Een bal raak slaan is één, een bal op een beslissend moment raak slaan is belangrijker. Die bekwaamheid heeft niks met lengte te maken.”

    Lees nog eens hoe Nederland de halve finales bereikte
  2. Volleybal is geen contactsport, dat verlaagt de weerbaarheid

    Geenszins, weerspreekt Strikwerda, die er op wijst dat, ondanks de barrière van een net, het er in het veld best stevig aan kan toegaan. „Dan bedoel ik verbaal en non-verbaal. Met een uitdagende manier van juichen bijvoorbeeld. Of met vileine opmerkingen tegenstanders uit hun spel halen. Ik zet een jonge speler wel eens tegenover een ‘zuiger’. Even zijn stabiliteit testen. Dat spel wordt continu gespeeld, maar blijft doorgaans binnen de perken. In die zin is volleybal een schone sport. Volleyballers zijn vooral druk met zichzelf, omdat die bal nu eenmaal na drie keer over het net moet worden gespeeld. Daarvoor moet veel arbeid verricht worden. Bij voetbal ben je mede afhankelijk van de opstelling bij de tegenstander. Dat speelt bij volleybal minder een rol. Er wordt vooral getraind op de teamprestatie: oneindig veel herhalen om vaste patronen erin te slijpen. Daar is helemaal niks mis mee. Met die instelling zijn David Bowie en Wolfgang Amadeus Mozart uitzonderlijk goede musici geworden.”

  3. Volleybal is vooral een tactisch spel

    Deels is dat waar, erkent Strikwerda. „De eerste keuze wordt in het centrum van het veld gemaakt. Daar begint de strijd tussen de spelverdeler en de midblokkeerder van de tegenpartij. Waar gaat de set-up naar toe? Links, rechts, midden, achterover? En hoe snel wordt de bal gespeeld? De middenblokkeerder moet daarop anticiperen, die moet het blok sluitend maken. De spelverdeler die de middenblokkeerder weet te verrassen, geeft de aanvaller de gelegenheid makkelijker te scoren. Met signalen achter de rug geeft de spelverdeler aan op welke positie in het veld de bal wordt gespeeld. Eén vinger betekent dat de spelverdeler de bal dichtbij zich houdt voor een middenaanval, drie vingers betekent dat de bal over een drietal meters wordt gespeeld, en bij een pink komt de bal in de nek van de spelverdeler. Ja, bij het Nederlands team krijgt Lonneke Slöetjes de meeste ballen. Omdat zij de sterkste aanvalster is. Dat weet ook de tegenstander en dan wordt het een potje vechten tussen aanvaller en blokkeerders. In die situaties geven de individuele kwaliteiten de doorslag. Bij Nederland is in de aanval ook een grote rol weggelegd voor Celeste Plak, vanwege haar enorme slagkracht.”

  4. Dat eeuwige handjeklap is klef

    Hartstikke klef, beaamt Strikwerda. Het is de cultuur, het hoort bij volleybal. Maar Strikwerda heeft zijn bedenkingen. „Ik vind het ook gefrutsel. Ik erger me aan een speler die na een foute service naar de kant komt en met iedereen handjeklap doet. Hoezo? Hij zou een moeilijke bal serveren om de tegenstander onder druk te zetten. Dan past handjeklap niet. Eigenlijk is het nergens voor nodig. Maar ja, in volleybal is het handjeklap gecultiveerd, hè. Je valt elkaar niet af. Zo van: oké, je maakt een fout, maar je blijft een van ons. Het heeft ook te maken met de geringe afmeting [9x9 meter] van het veld, die is klein in vergelijking met bijvoorbeeld voetbal en hockey. In die sporten hebben spelers helemaal geen tijd voor handjeklap. Op een kleine ruimte dreigt al snel het gevaar van oorlog, dan zoeken mensen naar middelen om elkaar te accepteren. Om samen te werken, moet je elkaars verschillen accepteren. Daarom zie je volleyballers ook veelvuldig samen juichen en yellen. Wordt ook gestimuleerd door coaches, moet ik zeggen.”

  5. De rol van de coach is beperkt

    Dan moet je een onderscheid maken tussen trainer en coach, meent Strikwerda. „Een trainer brengt de spelers vaardigheden bij. Technisch, maar ook fysiek door ze te leren vallen en duiken. Een coach is een procesbegeleider, die ervoor zorgt dat spelers in een wedstrijd de juiste keuzes maken. Een trainer als goede coach is een vrij zeldzame combinatie. Ik ben een voorstander van een dubbele bezetting, een trainer die tijdens wedstrijden zijn plaats afstaat aan een bekwame coach. Arie en Avital Selinger, evenals Gido Vermeulen [bondscoach van de mannen], zie ik als uitgesproken trainers. Maar Joop Alberda zorgde ervoor dat zijn spelers in het veld onafhankelijk konden beslissen. Als het er echt om ging hadden zij Alberda niet nodig. Dat vind ik de ideale situatie. De echte leiders staan binnen de lijnen. Ik heb sterk de indruk dat Jamie Morrison bij Nederland meer trainer dan coach is. Morrisons rol wordt in het veld nadrukkelijk overgenomen door Balkestein-Grothues, die met haar drive het team aan de gang kan houden. Ik vind het mooi om te zien hoe zelfstandig deze ploeg is.”

    • Henk Stouwdam