Gauguin op Martinique: ‘Het is hier het paradijs’

Voorpublicatie ‘De Grote Gauguin Atlas’

In 1887 vertrokken de vrienden Paul Gauguin en Charles Laval naar Martinique op zoek naar inspiratie. Die reis wordt beschreven in De Grote Gauguin Atlas, die vrijdag uitkomt, bij de Gauguin-expositie in het Van Gogh Museum. Een voorpublicatie.

Gauguins schilderij ‘De Mangobomen’ , gemaakt op Martinique in 1887. Te zien in Van Gogh Museum, pagina’s uit Gauguin Atlas.

‘Saint-Pierre was in 1887 de vreemdste en tegelijk de mooiste stad van West-Indie,’ schreef de Grieks-Ierse journalist en wereldburger Lafcadio Hearn. Hij woonde op Martinique toen Gauguin er ook verbleef en het is goed mogelijk dat ze elkaar hebben ontmoet. Hearn gaf een mooie beschrijving van hoe de reiziger aan de reling van zijn schip Saint-Pierre zag opdoemen en hij keek daarbij niet op een bijvoeglijk naamwoord meer of minder. Het was alsof de stad vanuit het vlammende groen en de paarsige schaduwen van de – in die tijd – stille vulkaan Pelee naar de kustlijn was gegleden. Het geel van de huizen, de daken met rode dakpannen en het wit van de torens van de kathedraal staken fel af tegen het blauw van de tropische lucht, schreef Hearn. De stad was al in 1635 gesticht door de Fransen, die de oorspronkelijke Caribische bewoners hadden verdreven of vermoord. In de 19de eeuw werd de stad door de suikerindustrie en slavenhandel zo welvarend dat hij het Parijs van de Cariben werd genoemd. Saint-Pierre was zo Frans als wat, met een rue Victor Hugo, pleinen met fonteinen, een Jardin des Plantes met een waterval, luxueuze hotels, een Notre-Dame-achtige kathedraal en een groot theater met achthonderd plaatsen.

De beroemdste Parijse artiesten kwamen graag naar Martinique om er de nieuwste opera’s, toneel- en muziekstukken op te voeren.

Maar Gauguin en Charles Laval waren Frankrijk niet ontvlucht en via Panama naar Martinique gereisd om in een tweede Parijs terecht te komen. Dat konden ze zich ook niet veroorloven. Op nog geen half uur ten zuiden van Saint-Pierre, net boven het dorpje Le Carbet, vonden ze op het terrein van een plantage een verlaten slavenhut waarin ze voor niets konden wonen.

Opnieuw in het paradijs

Gauguin en Laval woonden in Le Carbet tussen de nazaten van Afrikaanse slaven die door de Fransen op de suikerplantages tewerk waren gesteld totdat in 1848 de slavernij was afgeschaft. „Hier is het paradijs”, jubelde Gauguin in een brief aan [zijn vrouw, ND] Mette. Beneden hem was de zee met een kokospalmenstrand, boven hem groeiden alle mogelijke fruitbomen.

Voormalig slavenhutten op Martinique bij Le Carbet, zoals die waar Gauguin en Laval in gingen wonen. Grote Gauguin atlas

Dit was precies zoals hij het zich had voorgesteld. Gauguin hoopte dat Mette en de kinderen zich ooit bij hem op Martinique zouden voegen. Ze hoefde zich geen zorgen te maken, op Martinique waren ook scholen en bovendien werden „Europeanen op Martinique behandeld alsof ze zo zeldzaam zijn als witte merels”.

Hij ving de exotische natuur van Martinique in het schilderij Martinikaans landschap. Het toont het uitzicht vanaf een uitkijkpunt aan de kust, vlak onder Saint-Pierre, waar de stad zich op haar allermooist laat zien: in de bocht van een baai en tegen de achtergrond van de vulkaan Pelee. Van de stad is op het schilderij van Gauguin bizar genoeg helemaal niets te zien.

Gauguin liet achterwege wat niet in zijn beeld van het paradijs paste.

Dat is ook te zien aan zijn schilderijen van de ‘porteuses’, de draagsters die hij vlak bij zijn hut zag lopen, met hun geknoopte hoofddeksels waarop de meest uiteenlopende producten van en naar de markt in Saint-Pierre werden vervoerd. De vrouwen hoorden eind 19de eeuw al bij Martinique zoals rum en suiker en ze stonden op postzegels en rum-etiketten en waren zeer geliefd bij Europese fotografen. Zodra Gauguin op Martinique was, begon hij met het schetsen van deze porteuses, waarna ze eerst klein maar steeds groter in zijn schilderijen opdoken.

Tekeningen en koppen van draagsters door Gauguin, pagina’s uit de Gauguin Atlas.

Hierdoor stonden zijn schilderijen steeds verder af van zijn impressionistische werk. Ook van het realisme overigens: de vrouwen die Gauguin schilderde rusten uit onder een boom of aan het water. In werkelijkheid waren het extreem hardwerkende vrouwen die lange dagen maakten en tientallen kilo’s over grote afstanden vervoerden.

Toen werd Gauguin ziek. De malaria en dysenterie had hij, dacht hij, in Panama opgelopen. Hij moest op doktersadvies zo snel mogelijk terug naar Parijs. Mette, die hem kennelijk in een brief om geld had gevraagd, liet hij weten dat hij haar niet kon helpen omdat hij doodziek was. Het ging niet bepaald om een griepje. „Ik ben een skelet, nog te zwak om te fluisteren. Ik ben zo ziek geweest dat ik ’s nachts dacht dat ik doodging. Nu gaat het beter, hoewel ik nog steeds verschrikkelijke maagpijnen lijd. Het weinige dat ik heb om te eten, doet ongelofelijk veel pijn. Ik kan bijna niet schrijven want ik ben licht in het hoofd. Ik heb mijn laatste geld uitgegeven in de apotheek en bij de dokter. Die zegt dat het absoluut noodzakelijk is om naar Frankrijk terug te keren. Als ik tenminste beter wil worden. Ach arme Mette, ik wou dat ik dood was. Dat zou de oplossing zijn.”

Het was [zijn vriend Emile, ND] Schuffenecker die Gauguin uit de brand hielp. Hij stuurde geld voor de terugreis en nam hem toen hij in Parijs aankwam in huis om te herstellen. In Parijs ontmoette Gauguin Vincent van Gogh.

De Grote Gauguin Atlas van Nienke Denekamp verschijnt 19 okt. Uitg. Rubinstein (184p, €24,99). Dit is een licht bewerkte versie van hoofdstuk 3. Tentoonstelling Gauguin & Laval op Martinique, Van Gogh Museum Amsterdam, t/m 13 jan. Inl: vangoghmuseum.nl
    • Nienke Denekamp