Recensie

‘Thuislozen’ schrijnend echt

Theater Echte verslaafden en zorgverleners werken mee aan voorstelling Thuislozen van Lars Norén, in de regie van Thibaud Delpeut en Adelheid Roosen.

De poëzie en ontluisterende rauwheid van leven op de straat in 'Thuislozen’. Foto Roel van Berckelaer

‘We zijn toch mensen?” roept een van de hulpverleners tegen daklozen, junks en verslaafden die ruwe taal uitslaan. „Nee, dat zijn we niet!” luidt het antwoord. Deze zin uit het toneelstuk Thuislozen (1997) van de Zweedse auteur Lars Norén komt hard aan. En dat moet ook. Thuislozen is een confronterende voorstelling over mensen die aan de schaduwkant van de maatschappij leven. Ze zijn verslaafd, de straat is hun thuis, het liefst gaan we aan hen voorbij en ontkennen hun tragiek. De kracht van de regie van Thibaud Delpeut en Adelheid Roosen is de combinatie van poëzie en ontluisterende rauwheid. Acteurs als Titus Muizelaar, Ilke Paddenburg en Naomi Velissariou treden op met lokale spelers: de verslaafden zelf en hun heroïsche zorgverleners. In door glazen wanden omsloten decor, dat associaties oproept met zowel een gevangenis als een grand café, zijn ook de toeschouwers welkom, en zo loopt aan het slot iedereen door elkaar heen. Het echte leven is niet van het theater te onderscheiden. In de pauze spreken de ontheemden over hun kapotgelopen leven, en daardoor het verlies van dierbaren en vriendschappen. Maar er is meer: het gaat tevens over bureaucratie en ambtenarij in de zorg die elk initiatief tot verlossing lijken te bruskeren. Door dit veelzijdige engagement raakt Thuislozen diep. De overdaad aan schuttingtaal en zelfs fysieke gewelddadigheid is als een hartenkreet: deze mensen zonder onderdak zoeken desperaat naar een huis, dat maakt het extra schrijnend.

    • Kester Freriks