Opinie

    • Caroline de Gruyter

Een basis-Europa met extra clubs

‘De EU loopt tegen de grenzen van het bereikbare aan met de structuur die ze nu heeft. Dat we met een ever closer union van 27 landen, of meer, allemaal hetzelfde doel kunnen bereiken wordt steeds meer betwist. We hebben een nieuwe structuur nodig voor Europa, om interne verlamming te voorkomen en te zorgen dat we wereldwijd politiek ons mannetje kunnen staan.”

Zo begonnen vijf senior medewerkers van de Brusselse denktank Bruegel laatst een voorstel voor een compleet nieuwe structuur van de EU. Volgens hen moet het streven naar een „steeds hechter verbond”, dat sinds 1957 in het Europese verdrag staat, worden geschrapt. Populisten, links en rechts, willen geen hechter verbond. Mede onder hun invloed worden landen assertiever in Brussel. Ze eisen opt-outs, schenden regels, blokkeren besluitvorming. Als er meer lidstaten bijkomen, wordt dit erger, vrezen de auteurs. Hun voorstel is: kom tegemoet aan die groeiende heterogeniteit en maak een Europese Unie van ‘clubs’. Daarin moeten alle lidstaten alleen een basispakket accepteren, een „skelet”. In dat pakket zitten de douane-unie, de interne markt, handel, de begroting en een bindend commitment aan de rechtsstaat, grondrechten, democratie en de structuur van de EU.

De rest, zeggen zij, moet facultatief worden. Landen kunnen lid worden van vier clubs: economische en monetaire unie; migratie, asiel en Schengen; veiligheid en buitenlandse politiek; overige terreinen. Landen die weinig willen, blijven bij hun basispakket zonder de rest op te houden. Degenen die wel in een of meer clubs gaan zitten, committeren zich aan efficiëntere besluitvorming: veto’s verdwijnen, overal komt meerderheidsbesluitvorming. Dat maakt de EU slagvaardiger, en in staat om internationaal met één stem te spreken – precies wat burgers willen.

De auteurs vroegen, zoals een denktank betaamt, om reacties. Zodat het echte debat over Europa, dat zo vaak vastloopt in welles-nietes, op een constructieve manier gevoerd kan worden.

Wel, de eerste reactie is binnen: een lange blogpost, geschreven door jongere medewerkers van datzelfde Bruegel. Met alle respect voor hun oudere collega’s (vier van de vijf zijn mannen van boven de zestig), schrijven zij, maar Europese burgers zijn helemaal niet heterogener dan vroeger: wat burgers willen, is niet mínder Unie maar een beter functionerende Unie. Dat wilden ze twintig jaar geleden en dat willen ze nog. Moet je uit het feit dat dit (nog) niet gelukt is, concluderen dat je het doel – een „steeds hechter verbond” – moet opheffen? Nee, schrijven deze jongeren: „Dan probeer je het anders.”

Mede doordat de EU niet alleen meer over „kromme bananen” gaat maar óók over defensie, buitenlandse politiek of milieu, poneren zij, zijn veel burgers meer aan de EU gehecht geraakt. Populisten spreken namens een minderheid van de bevolking. Eurobarometer-peilingen tonen dat het aantal Europeanen dat zich verbonden voelt met de EU, in vier jaar van 46 procent naar 56 procent is gegaan. Ook steunen ze nieuwe vormen van samenwerking, rondom veiligheid, milieu of migratie. Van de 18- tot 29-jarige Europeanen denkt zelfs 73 procent positief over de EU. Het voorstel van de ‘clubs’ walst hier overheen. Ten slotte, schrijven de jongeren, zijn staten en bevolkingsgroepen in Amerika even heterogeen als in Europa. Daar passen ze hun institutionele structuur toch ook niet aan? Waarom zou Europa dat dan wel doen? „De enige manier om uit de impasse te komen is volgens ons om het aan Europese burgers te vragen. Politiek is bottom-up – en niet institutioneel gesleutel of verdragswijzigingen die van bovenop worden opgelegd.”

Zo, die zit. Wie zei er dat een goed gesprek over de toekomst van Europa onmogelijk is? Volg dit debat. Of liever: doe zelf een duit in het zakje.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.
    • Caroline de Gruyter