Opinie

    • Frits Abrahams

We are Amsterdam

‘Amsterdam kan in 2030 32 miljoen toeristen verwachten”, las ik mijn vrouw uit de krant voor. „Willen we dat nog meemaken?” Ze zuchtte diep, maar dat kwam misschien ook doordat ze de twintig rode rozen die Lodewijk Asscher net had laten bezorgen, in een iets te smalle vaas moest persen. Ze deed het met een behoedzaamheid die aan tederheid grensde.

„Zelfs na twintig jaar columns heb ik nog steeds veel zin om kritisch op de PvdA te blijven”, zei ik wreed.

„Als je het ook maar op jezelf blijft”, zei ze, „júíst na twintig jaar columns.”

Het leek me een geschikt moment om terug te keren naar Amsterdam en het toerisme. Het was een onderwerp dat ons als bewoners van de binnenstad sinds geruime tijd bezighield. Eind 2017 telde Amsterdam nog 21 miljoen bezoekers, wat al rijkelijk veel was, gelet op de taferelen die zich in de stad afspeelden.

Groepen van zo’n vijftig toeristen die zich kuddegewijs over de smalle trottoirs verplaatsten, fietsers die nog nooit hadden gefietst maar toch door de drukke straten zwalkten, winkelstraten waarin je alleen nog schuifelend je bestemming kon bereiken, bezopen kerels die op de Wallen en masse de hoeren stonden uit te lachen, overvolle trams waarin ook de oudere stedelingen vaak moesten staan. Het is maar een greep.

De tijd is voorbij dat politieke partijen als VVD en D66 zich ervan af konden maken met de doorzichtige smoes dat „wie niet tegen de drukte kan, maar naar de provincie moet verhuizen”. Dat was nog in de jaren dat wethouder Frits Huffnagel (VVD) de campagne ‘I Amsterdam’ begon met dat onverwoestbare, bestuurlijke optimisme dat zoveel verwoestingen kan aanrichten.

We hebben het geweten. Het is niet erg dat Amsterdam nooit meer zal worden wat het was, want nostalgie is geen goede raadgever. Maar het is wel erg dat Amsterdam nooit meer zal worden wat het had kúnnen worden: een drukke, maar toch aangename, overzichtelijke, kleine wereldstad waarin de toeristen zich aanpassen aan de bewoners, in plaats van andersom. Amsterdam is ontdekt door het massatoerisme, zoals voorheen Venetië, Parijs, Londen en Barcelona, en omdat het kleiner is dan die steden, is het ook kwetsbaarder. Het is een onomkeerbare ontwikkeling.

„Word je nu niet te somber?”, vroeg mijn vrouw, „de politiek kan toch ingrijpen?”

„Dat durft de politiek niet, ook niet die partij van jou”, voorspelde ik. „Zelfs de bierfiets rijdt nog steeds rond, hét symbool van de stedelijke verloedering. De Wallen dicht, een totaalverbod op alle kortstondige vakantieverhuur in de hele stad, uiteraard inclusief Airbnb, drastische vermindering van het aantal hotels – dát zou helpen, al zal het niet genoeg zijn.”

„Dus jij vindt eigenlijk dat we hier maar weg moeten?”, vroeg ze.

Vroeg én laat bereiken onze gesprekken onvermijdelijk dit pijnlijke punt. Het is een retorische vraag, omdat we het antwoord kennen: néé. Want: we are Amsterdam, die, ondanks alles, mooie stad waarin zoveel te zien en te beleven valt. We zijn, als zoveel Amsterdammers, niet altijd Amsterdam geweest, we zijn ver erbuiten opgegroeid en koesteren daar goede herinneringen aan, maar Amsterdam kunnen we nog niet loslaten. In 2030 misschien? Wie dan leeft…

    • Frits Abrahams