Recensie

Wat de genomineerden voor de Booker Prize van elkaar kunnen leren

Man Booker Prize Van de shortlist van zes steken twee romans met kop en schouder boven de andere uit. Beide zijn door Amerikanen geschreven.

Illustratie Paul van der Steen

Het beoordelen van romans is geen harde wetenschap. Uit het feit dat Warlight van Michael Ondaatje en Normal People van Sally Rooney niet verder kwamen dan de longlist van de Man Booker Prize, kan niet zomaar worden afgeleid dat de zes boeken die de shortlist haalden beter zijn dan die twee romans. Vier van die zes zou ik zó omruilen voor Ondaatje en Rooney.

Maar we moeten het doen met de shortlist waartoe de jury in al zijn wijsheid heeft besloten. Op de longlist stond ook een graphic novel, maar die heeft de shortlist niet bereikt. Toch heeft de jury zijn eigenzinnigheid niet bepaald tot die longlist: zo heeft de Schot Robin Robertson (1955) de shortlist gehaald met The Long Take. Het boek gaat over Walker, een Canadese soldaat die na de Tweede Wereldoorlog in Los Angeles belandt. Goed en slecht zijn duidelijk van elkaar onderscheiden categorieën, pas tegen het eind wordt het interessant wanneer dat onderscheid vervaagt. Veruit het opmerkelijkste aan The Long Take is dat het geen roman is, maar een lang verhalend gedicht. Blijkbaar wilde de jury grenzen oprekken, waarop eigenlijk alleen maar valt te reageren met een berustend drieletterwoord: tja.

Ex-soldaat Walker (die inderdaad veel wandelt) is een loner, en zeker niet de enige op de shortlist. Voor veel schrijvers is de geïsoleerde, intelligente einzelgänger nog steeds een favoriet personage. Neem de achttienjarige vertelster uit Milkman van de Noord-Ierse Anna Burns (1962). Die probeert zich te handhaven in een niet nader genoemde stad, waarin we moeiteloos het Belfast ten tijde van de Noord-Ierse Troubles herkennen. Haar leven wordt ingewikkeld wanneer de Milkman interesse in haar krijgt, een mysterieuze man met banden met paramilities en onderwereld.

Milkman geeft een goed beeld van de beklemming van de verscheurde stad, waar werkelijk elke keuze die je maakt (krant, tv-programma, werk) je bij een van de elkaar bestrijdende kampen indeelt, met alle gevolgen van dien. Maar de toon waarop de hoofdpersoon haar verhaal doet wordt vermoeiend: ze gaat maar door, alle gebeurtenissen moeten uitgebreid worden verteld. Opvallend is de anekdotische, harteloze manier waarop sommige absurde gebeurtenissen worden beschreven, tot zelfmoorden aan toe. Het is alsof Burns in de leer is gegaan bij John Irving, maar niet heeft begrepen dat absurde gebeurtenissen alleen werken wanneer de auteur compassie heeft met zijn of haar personages, ook als het om bijrolspelers gaat. Het mag cynische of sentimentele compassie zijn, maar compassie heb je nodig om het voor de lezer geloofwaardig en verteerbaar te maken.

Slaaf

Het volgende geïsoleerde individu is Washington Black, de tienjarige hoofdpersoon van de gelijknamige roman van de Canadese Esi Edugyan (1978). Was-hington groeit op als slaaf op een plantage in Barbados in de eerste helft van de negentiende eeuw. Titch, de broer van Washingtons eigenaar en een tegenstander van slavernij, neemt hem onder zijn hoede waarna de halve wereld wordt bereisd, van het hoge noorden van Canada naar Marokko, met tussenstops in Londen en Amsterdam. De roman gaat over de gruwel van de slavernij, familiebanden en loyaliteit, en de precaire relatie tussen Titch en Washington wordt mooi uitgewerkt, maar toch overtuigt Washington Black niet helemaal. Je ziet de constructie door de pagina’s heen schemeren, het ontbreekt aan flow, ook heeft het boek losse eindjes en roept Edugyan hier en daar spanning op met doorzichtige trucs. De verwachtingen die het indrukwekkende begin oproepen, worden niet ingelost.

Washington is een eenzaat tussen twee werelden, en dat geldt ook voor Gretel, de vertelster van Everything Under van de Engelse Daisy Johnson (1990). Gretel zoekt haar moeder, die jaren geleden is verdwenen, en blikt terug op haar jeugd, die ze doorbracht in een subcultuur van woonbootbewoners. Zij en haar moeder hadden een eigen taal, als volwassene werkt ze als lexicograaf – nog steeds met woorden bezig. Er is nog een andere verhaallijn, die zich gaandeweg ook bij de rest voegt. Alles vloeit in Everything Under, identiteit, gender, je laat je meevoeren op de soms wat plechtstatige maar toch meeslepende stroom, uiteindelijk blijkt alles gebaseerd op een oude Griekse mythe.

Het pleit voor Johnson dat je het optreden van een fabelbeest moeiteloos accepteert, maar het is jammer dat het boek te lang doorgaat; de laatste hoofdstukken zijn er eigenlijk te veel aan, je dacht dat je klaar was maar onder je ogen gaat het boek nog even verder, voor wie, voor wie?

Amerikanen

Doen er ook nog Amerikanen mee? Jazeker, en niet de minsten: Rachel Kushner en Richard Powers. Beide auteurs werden al eerder in deze krant besproken en kregen toen elk vier ballen. Ze schreven de beste boeken van de shortlist, en aanstaande dinsdag zou er dus voor de derde keer in successie een Amerikaan kunnen winnen. Kushner (1968) geeft in The Mars Room stem aan Romy Hall, een voormalige stripper die een straf van twee keer levenslang plus zes jaar uitzit in een gevangenis waar het ieder voor zich is. Door haar toon – cynisch, streetwise, ongerust – overtuigt ze meteen als personage. Kushner geeft ook anderen een stem: een medegevangene, een leraar, en de corrupte politieman Doc, die de show steelt. Die bijfiguren lossen tegen het einde een beetje op in het niets, en ook blijft onduidelijk wat precies de betekenis is van de opgenomen fragmenten uit het oeuvre van de UNA-bomber. Zo zit er toch veel vaagheid in dit verder zo glasheldere boek.

Richard Powers (1957) weet de meeste personages in zijn boek te krijgen: The Overstory telt er maar liefst negen, onder wie uiteraard de nodige einzelgängers. Allemaal raken ze betrokken bij de strijd tegen het vernietigen van bomen, of het nu om achtertuinen gaat of oerbossen. Powers vertelt hun belevenissen als de zorgvuldige notulist die hij is, afstandelijk maar met compassie, op de beste momenten ontroert dat. Hij verwerkt de laatste, fascinerende inzichten over bomen en bossen in zijn roman. Bomen die elkaar waarschuwen, bomen die met hun wortels in contact staan met elkaar, het bos dat één organisme is – het is allemaal zo interessant dat het de belevenissen van de negen personages overschaduwt. Powers wil wel érg veel kennis overdragen. Soms zie je door de bomen het verhaal niet meer en vergeet je dat The Overstory een roman is. De echte helden zijn de bomen, en hun (voor ons) verborgen leven.

Laten we, geïnspireerd door Powers, deze zes romans als bomen beschouwen. Eén boom, Robertson, staat apart in dit kleine bos, want dat is eigenlijk geen boom, maar die vijf anderen – wat zouden ze via hun wortels aan elkaar kunnen doorgeven? Kushner zou van Powers kunnen leren dat alle personages recht hebben op een afgerond verhaal. Op zijn beurt zou Powers van Kushner kunnen leren hoe je personages dicht bij de lezer brengt, en dat je er niet te veel in één roman moet stoppen. Edugyan zou van Kushner kunnen leren dat personages altijd boven het verhaal gaan, Kushner zou Burns kunnen bijbrengen dat uitputting van de lezer kan worden voorkomen door beperking en afwisseling, en ze zou Johnson kunnen leren plechtstatigheid te vermijden en op tijd op te houden. Zo blijkt dat er van Kushner het meest te leren valt, wat tot de conclusie zou kunnen leiden dat The Mars Room het beste boek van de shortlist is. Geen wetenschappelijk onderbouwde conclusie, maar wel een die hout snijdt.

    • Rob van Essen