Recensie

Lichaam en gedicht zijn onlosmakelijk verbonden

Jan Lauwereyns Een hart stopt even met kloppen, in de bundel Zus, die ook is opgebouwd volgens de anatomie van een hart. Lauwereyns breit beelden aaneen tot een kwetsbaar weefsel, met zowel eenheid en fragmentatie in de inhoud als in de vorm.

In het epicentrum van Jan Lauwereyns’ bundel Zus gebeurt iets dramatisch: ‘de vergeefse brief raasde zuidwaarts / en spuwde vonken / boven de overlevenden’. De boodschap in de brief bevriest de tijd even. Na dit moment van stilte en stilstand: ‘de skeletspier balde samen en het hart tikte verder’. Maar de verwarring blijft: ‘mijn overbruggingsoperatie slaagde er niet in / te begrijpen wat haar ogen flonkerden’.

Om meerdere redenen is dit gedicht cruciaal in Zus. Het staat midden in de bundel, doorgaans al betekenisvol, maar nu extra opmerkelijk aangezien de hele bundel eromheen gebouwd is. Zus volgt namelijk de anatomie van het hart. Het middelste gedicht vormt een afdeling op zich en wordt aangeduid als de wortel van de aorta, het startpunt van de bloedtoevoer. Daaromheen een set kleppen (met elk drie gedichten) en diverse vertakkingen (drie groepen van elk zeven gedichten).

Lauwereyns’ (1969) poëzie is vitaal en lichamelijk. Hij breit in een wervelende associatiereeks beelden, invallen, gedachten en analyses tot een kwetsbaar weefsel. Zo ook in Zus, waar aftakeling en herstel, groei en vergankelijkheid elkaar op de huid zitten.

In het hart van Zus wordt de levenskracht het meest tastbaar: de diagnose uit de brief die zuidwaarts, dus richting de onderbuik raast, valt tussen twee hartslagen in. Dat hij dat benoemt in ‘het hart tikte verder’, lijkt overbodig, maar functioneert in mijn ogen als de hartslag zelf. Hoe groot de ontlading van ondraaglijk wachten en de bijbehorende onmacht ook is, het hart klopt gewoon door, net als het gedicht.

In de afdeling ‘een deftige nacht tequila’ snijdt de ik-persoon zijn eigen hart uit: ‘voorzichtig ervoor zorgend dat het bleef kloppen // de geest van het experiment / vereist totale toewijding’. In het gedicht erna, waarin de ik ‘zuiver harteloos’ het lot aanvaardt, zorgen de nabijheid en natuurlijk de liefde van het donorhart ervoor dat het andere weer gaat kloppen: ‘oooo ja / nu voel ik het // haar ogen flonkerden / de ontvanger klopte gelijk ook een beetje trager // naar de geest van het experiment / naar het ritme van het sap’.

Schrijven is voor Lauwereyns net zo’n experiment waarin het moment van ‘nu voel ik het’ belangrijk is: door de bundel heen keren zinsnedes en formuleringen terug, soms hele strofen, ongewijzigd of in lichte variaties. Het middelste gedicht opent met het beeldschone ‘in haar knieholte / lag een rood fluwelen doosje / met een handspiegel erin’, dat in de eerste afdeling de ziekte aankondigde. Of het woord ‘zus’, dat nu eens lijkt te verwijzen naar een personage, dan weer niets meer dan een bijwoord is.

Zoals de hartslag de aandacht vestigt op het lichaam, zo onderstrepen de beelden en fragmenten het schrijven, mooi geformuleerd in de regels ‘de versplintering van betekenis / maakte een groter potje / van een al / onbetrouwbaar relaas’. Lichaam en gedicht zijn bij Lauwereyns onlosmakelijk verbonden. Het gedicht, ‘een geruisloos dingetje’, wordt ergens uitgetrokken: ‘geen schrik het is maar een klein gedicht’ en even later: ‘zie je je longen en nieren en pancreas je hele lichaam // alles binnenstebuiten ja’. Het hield allemaal op vanzelfsprekend te zijn, noteert de dichter. Niet eerder was Lauwereyns zo warmbloedig en delicaat in zijn analyses.

    • Obe Alkema