Het vriendelijke gezicht van een boosaardig apartheidsregime

Roelof Frederik ‘Pik’ Botha (1932-2018)

Hij was in drie kabinetten minister van Buitenlandse Zaken tijdens de apartheid. ‘Pik’ speelde de rol van good guy, naamgenoot P.W. Botha was de kwade pier.

Botha (rechts) schudt de hand van Desmond Tutu in Johannesburg in 1997. Juda Ngwenya/Reuters

Roelof Frederik Botha was als een tweedehands autoverkoper die het onverkoopbare aan de wereld moest slijten. Niemand diende het internationaal veroordeelde Zuid-Afrikaanse apartheidsregime zo lang als hij. Drie kabinetten lang vertegenwoordigde hij Buitenlandse Zaken, terwijl de generaals huishielden in de buurlanden Angola, Namibië, Zimbabwe en Mozambique, bloedige oorlogen die Botha verkocht als een strijd tegen het communisme.

De bijnaam ‘Pik’, was een afkorting van ‘pikkewijn’, pinguïn in het Afrikaans. Daar leek hij op als hij in pak, enigszins voorovergebogen door zijn kantoor in Pretoria struinde.

Na een ziekbed overleed hij op 86-leeftijd in Pretoria, zo bevestigde zijn zoon Piet vrijdagochtend aan de Afrikaanse nieuwswebsite News24.com.

Botha hoorde bij de Verligtes onder de apartheidsministers. Begin jaren 80 waarschuwde hij zijn president dat apartheid Zuid-Afrika te veel zou isoleren. Hij pleitte in 1982 voor de vrijlating van Nelson Mandela, omdat hij vreesde dat Mandela anders tot een martelaar zou uitgroeien, vertelde hij later in een interview met Al Jazeera.

In 1986 zei hij tegen de pers in Kaapstad dat Zuid-Afrika klaar was voor een zwarte president. De toenmalige president P.W. Botha – geen familie – was furieus. Althans, in het openbaar.

Want dat waren de rollen die de Botha’s met elkaar speelden. Als P.W. de grote krokodil met zijn wijzende vingertje de bad cop was, die zijn moordcommando’s losliet in de townships en de buurlanden, dan was Pik de good cop.

Lees ook dit interview met Botha uit 1998: ‘Je kunt niet voor eeuwig apartheid de schuld geven’

Hij bespeelde de Zuid-Afrikaanse en internationale pers met drank overladen partijtjes. Veel veteranen uit de journalistiek van toen disten vrijdag anekdotes op over avonden aan het kampvuur, met kratten vol bier. Tijdens de onderhandelingen in buurland Angola dronk Botha zelfs de Cubanen, die de Angolese regering steunden, onder de tafel.

„Pik Botha is de uitvinder van alcohol als smeermiddel bij politieke onderhandelingen”, twitterde Max du Preez, indertijd hoofdredacteur van het kritische Vrye Weekblad. Een andere collega herinnert zich een bijeenkomst in Rome, waarbij Botha een oude marmeren schedel liet volgieten met grappa, en rondgaf aan het verzamelde journaille. Pik Botha was het vriendelijke gezicht van een kwaadaardig regime.

Zes jaar na de val van dat regime berichtte de Zuid-Afrikaanse pers dat Botha zijn Nasionale Party definitief de rug had toegekeerd en lid was geworden van de partij van haar grootste vijanden, Mandela’s ANC. Botha was door Mandela na 1994 benoemd tot minister van Energiezaken, in de regering van Nationale Eenheid. Een meesterzet, want de Nasionale Party verschrompelde in een mum van tijd tot een partij waar niemand nog op stemde.

Pas in 2013 ontkende Botha plots dat hij lid was van het ANC, dat nu zelf internationaal onder vuur lag wegens het wanbeleid van president Zuma. Dat waren maar geruchten van een slecht geïnformeerde pers. Ook dat was typisch Botha: veel show, maar ook weinig verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn lange carrière.

Correctie (12 oktober 2018): eerder stond geschreven dat de Cubanen de Unita-rebellen steunden. Dit is onjuist en is gecorrigeerd.

    • Bram Vermeulen