Geesten vragen Basa Basa om weer op te gaan treden

Interview

Afrobeatgroep Basa Basa staat na zo’n dertig jaar radiostilte, op het Amsterdam Dance Event. Eén van hen twijfelt of dat wel zo’n goed idee is.

Bij tweelingen is er altijd één die duwt en één die trekt. De eerstgeborene wil vooruit, de tweede trapt op de rem. Althans, zo is dat in de mythologie van de West-Afrikaanse Ewe-bevolking. Dus toen Joe Nyaku weer op wilde gaan optreden, na ruim dertig jaar, en wel in Nederland, zag zijn broer John vooral beren op de weg.

En nu, gezeten in zijn huis in Harlem, New York, twee weken voor hun concert in Paradiso, hoeft het voor hem nog steeds niet echt. Maar ja, wat kun je doen? Volgens Joe is het iets spiritueels, willen de Ewe-geesten en hun voorouders dat ze weer gaan optreden. Daar moet John een beetje om lachen, maar het ontneemt hem elk argument om niet mee te doen.

Samen vormen ze Basa Basa, een Ghanese afrobeatgroep die in de jaren zeventig drie platen opnam en niet was weg te denken uit de levendige muziekscene van Ghana en Nigeria. Maar halverwege de jaren ’80, na een verkeerd contract en een verhuizing naar Amerika, hielden ze op met spelen.

Ze zijn 66 jaar oud. Joe is financieel controller voor het New Yorkse openbaar vervoersbedrijf, John is fotograaf bij de Verenigde Naties. Muziek maken ze wel, maar alleen thuis, voor de lol. Toch gaan ze weer het podium op, in het kader van het grote jaarlijkse evenement Felabration tijdens het Amsterdam Dance Event. Omdat een of andere Nederlander vorig jaar hun plaat opnieuw uitbracht en omdat hun gekke, licht psychedelische disco-afrobeat allerlei jonge liefhebbers blijkt te hebben. „Komt goed”, zegt Joe. „We kunnen het nog en onze bandleden zijn profs, die zijn altijd blijven spelen.”

In Johns woonkamer vallen de twee elkaar constant in de rede, grappend, lachend. Joe vertelt hoe hij op YouTube zag dat er aandacht was voor hun oude album. Kort daarna werden ze benaderd door Vintage Voudou Records in Amsterdam. Joe: „Ik zei: ja, we leven nog. Ze wilden ons album opnieuw uitbrengen. Ik ben daarheen gevlogen om het contract te tekenen. Bij zo’n release hoort natuurlijk een optreden.”

„Eigenlijk te vroeg”, zegt John. Hij is vooral bang voor de sociale media. „Kijk we zullen onszelf niet voor gek zetten, maar ik weet niet… zoiets gaat snel de hele wereld over.”

Joe: „Er was nog iemand die de plaat wilde uitbrengen, een Duitse gast die…”

De rest van zijn verhaal gaat verloren in het fluitspel van John. Hij speelt dwars door het gesprek het aanstekelijke melodietje van hun nummer Together We Win. „Dit is het enige wat ik de komende dagen doe”, zegt hij na afloop. „Oefenen, oefenen”,

Aan de muur, achter Ghanese drums en een voetbal van het Ghanese nationale team, hangen foto’s van onder anderen Michael Jackson, Nelson Mandela, Stevie Wonder, Puff Daddy. Die schoot John allemaal zelf. Meestal in zijn eigen Harlem, dat de laatste jaren zo is opgeknapt. Eén foto aan de wand is ouder en is gemaakt in Nigeria. Een foto van Fela Kuti, naakt onderuitgezakt in zijn stoel, met een hand nonchalant voor zijn geslachtsdeel. Fela - rebel, activist, grondlegger van afrobeat en decennia lang de belangrijkste muzikant van Nigeria - hielp Basa Basa persoonlijk naar de roem.

John en Joe Nyaku werden geboren in een muzikale familie in de Ghanese stad Nima. Ze luisterden naar The Beatles en Kool & The Gang. Die invloeden gebruikten ze in hun eigen spel, maar de traditionele muziek - met veel fluit en percussie - stond voorop. Ze schopten het tot de huisband van de beroemde Napoleon Club in Accra. Hun eerste concert was het voorprogramma van BB King. Veel sterren volgden. De Zuid-Afrikaanse trompettist en zanger Hugh Masekela introduceerde hen halverwege de jaren ’70 aan Fela Kuti, koning van de Nigeriaanse muziek met een eigen vrijstaat middenin Lagos: Kalakuta Republic. Ze konden spelen in zijn legendarische club The Shrine.

„Fela hield niet van concurrentie”, zegt Joe, „maar hij accepteerde ons. Wij openden voor hem, dan moesten we spelen tot 1 uur ‘s nachts, daarna ging hij door tot 6 uur. Eigenlijk ging het 24 uur per dag door in Kalakuta. Je kon niet slapen, er was altijd muziek en heel, heel, heel veel cannabis.” Kuti was in constante oorlog met de corrupte regeringen van Nigeria en de militaire politiemacht. Gewelddadige aanvallen op zijn vrijstaat waren aan de orde van de dag. Eén zo’n avond in 1977 vormde een breekpunt in diens carrière en daarmee ook van Basa Basa.

De tweelingbroers waren net klaar met spelen toen een duizend man sterke politiemacht Kalakuta binnendrong. Joe en John wisten te ontkomen door te roepen dat ze slechts Ghanese gasten waren. Terwijl zij zich terugtrokken naar hun hotel werd Kalakuta in brand gezet. Vrouwen werden verkracht en verminkt door de politie, Fela werd half dood geslagen en zijn oude moeder werd vanaf de tweede verdieping uit het raam gegooid. Het zou uiteindelijk haar dood betekenen en het was een klap die Fela’s karakter nog grimmiger maakte dan het al was.

Na het verhaal houden de onderlinge geintjes van de broers heel even op. „Die dag zal ik nooit vergeten”, prevelt John.

Voor Basa Basa brak ook een moeilijke tijd aan, met financiële problemen en politieke onrust. Maar er kwam nog wel een derde album, ‘Together We Win’, dat nu onder een andere titel, ‘Homowo’, opnieuw is uitgebracht. De plaat reflecteerde de nieuwe tijd, de traditionele fluitjes werden op sommige tracks vervangen door spacy synthesizers.

Toch blijft John graag trouw aan de houten fluit. Hij heeft er drie liggen, elk in een andere toonsoort. Als de oude titelsong opnieuw door de boxen komt, speelt John mee. Joe staakt zijn conversatie en valt in met de zang. Samen zingen ze, ietwat schuchter eerst, daarna overtuigend:

‘Together we win/ We have the chance/ We have everything/ Together we’ll win again’.

Ze lijken opeens dertig jaar jonger. „Zie je, dit gaat goed komen”, zegt Joe, de eerstgeborene. „Misschien. We moeten gewoon veel oefenen”, zegt John, die als tweede op de wereld kwam.

    • Leendert van der Valk