Recensie

Een ober als symbool voor het oude Europa

Matias Faldbakken Een kelner in het morsige restaurant de Hills ziet de nieuwe tijd zijn zaak binnenstappen. Het restaurant lijkt een symbool voor het oude Europa, waarvan de sfeer en grandeur verdwijnen. Valt het tij te keren?

Dampende schotels, walmende kaarsen, rokende gasten: na honderdvijftig jaar is restaurant de Hills morsig te noemen. De keuken lijkt op een smidse, zo geblakerd zijn de muren. De mozaïekvloer is sleets, maar de glazen en het bestek flonkeren. Alsof er toch eigenlijk niets veranderd is. En natuurlijk is de kelner, die dit verhaal vertelt, op zijn post. Hij schiet toe, behaagt en blijft bedaagd. Buiten ‘voeren volwassen mensen extreme handelingen uit’, binnen is het veilig, voorspelbaar.

Zo zijn de kaarten geschud aan het begin van Matias Faldbakkens roman De Hills, maar al snel komt de klad er stevig in. De nieuwe tijd dient zich aan in de vorm van een jonge vrouw, die maling heeft aan ongeschreven regels. Vier espresso’s bestelt ze, in één kop. Ze laat nog net haar naam niet op de beker noteren. Ze schuift aan bij stamgasten, komt op onregelmatige tijden binnenzeilen en verleidt een gezelschap ertoe een maaltijd verkeerd om te bestellen, van het toetje naar het voorgerecht. En ze is onweerstaanbaar: ‘Haar glimlach doet alles om zich heen uiteenspatten.’

De Hills is een boek om in zijn geheel te citeren, zo mooi is het van stijl. Vertaler Lucy Pijttersen vond een soepel ritme en hield dat vol. Er gebeurt weinig, er wordt nogal wat getheoretiseerd onderweg en toch vloeit het verhaal onafwendbaar, onophoudelijk voort. In een traag maar niet te stuiten tempo zet de onttakeling van de Hills in, middels de aftakeling van de ober. De Hills is vermakelijk en spitsvondig, maar toch ook onthutsend. Meermalen dringt de gedachte zich op dat het restaurant het oude Europa is, met een sfeer en grandeur die verdwijnen. Deze roman toont de laatste stuiptrekkingen.

De Noor Faldbakken (1973), die eerder publiceerde onder de naam Abo Rasul, is internationaal bekend als beeldend kunstenaar. In interviews vertelde hij over zijn fascinatie met vandalisme, wat tot een wedergeboorte kan leiden. Vernietigen en scheppen kunnen op hetzelfde neerkomen. In De Hills zien we een man, die samen wil vallen met zijn functie, worstelen met verandering. Alles in de kelner verzet zich. Hij wordt opstandig, negeert wenken van de gasten. Hij wordt onhandig, en snijdt zich. Hij loopt er verfomfaaid bij. Verward en verhit bemoeit hij zich met het werk van de pianist en de kok. Hij kijkt onder werktijd op zijn mobiel. Hij houdt ongevraagd verhandelingen tegen gasten, over de schoonheid van een kool bijvoorbeeld. Zelfs de taal ontglipt hem: ‘Ze tast naar een object. [...] Het object heeft kleuren. Ze houdt het vast en haalt er iets uit, ze diept er een ding uit op, ze produceert iets, ze haalt het eruit, vist het op.’ Met instemming citeert een van zijn collega’s de psychiater Winnicott: ‘Wanneer de organisatie van het ego spaak loopt, is de ineenstorting nabij’.

In de vervreemdende sfeer en de beeldenrijkdom doet De Hills denken aan Wes Andersons film The Grand Budapest Hotel. Soms lijkt het een registratie of portret, dan weer een aanklacht tegen de commercie, met Europa als ‘een en al döner en mobiele telefoonreparateurs’. Eenduidig is het niet. De Hills lijkt waarschuwing en ode ineen. Valt het tij te keren en moeten we dat willen? Faldbakken laat het in het midden.

Correctie (16 oktober 2018): In een eerdere versie van dit stuk werd de voornaam van Matias Faldbakken foutief geschreven als Mattias. Dat is hierboven hersteld.

    • Judith Eiselin