Opinie

    • Marike Stellinga

Die grens moet straks niet té open

Je zou denken dat de Brexit simpel is vanuit het Nederlandse bedrijfsleven bezien. Wij handelen veel met de Britten en we hebben er dus alle belang bij dat de grenzen zo open mogelijk blijven. Zo min mogelijk oponthoud aan de grens, geen gedoe met inspecties en formulieren, hoe minder frictie hoe beter. Dus, hup Mark Rutte, overtuig de rest van Europa zo toeschietelijk mogelijk te zijn naar de Britten. Niet zo streng doen als de Fransen.

Maar dat is te simpel gedacht. Juist omdat Nederland veel handelt met de Britten zijn Nederlandse bedrijven bang voor oneerlijke concurrentie na de Brexit. En dan gaat het niet om de producten en diensten die wij in het Verenigd Koninkrijk verkopen. Nee, dan gaat het om de producten en diensten die de Britten in de EU verkopen. Nederlandse bedrijven hebben in dat geval minder belang bij zo min mogelijk frictie aan de grens.

Luister naar wat VNO-NCW, dé lobbyclub van het Nederlandse bedrijfsleven, zegt en je hoort direct na het belang van zoveel mogelijk „markttoegang” het volgende: „mits”. En op die mits volgt een reeks aan problemen die vragen om normen, barrières en grenzen.

Wat als het VK een economische vrijstaat wordt? Als de Britten keihard gaan concurreren met lage belastingen, weinig regels, lagere milieunormen, lagere arbeidsnormen, staatssteun voor bedrijven? De vrees is dat hier een keiharde concurrent opstaat die ook nog eens heel dichtbij ligt én heel veel met de EU handelt. Dat is wel even wat anders dan een handelsverdrag sluiten met Canada zoals Europa heeft gedaan. Daar moet een grotere zee worden overbrugd.

De Europese Commissie maakte begin dit jaar dan ook al duidelijk dat een handelsverdrag als dat tussen de EU en Canada (CETA) niet genoeg waarborgen biedt om te zorgen dat er straks geen oneerlijke concurrentie vanuit het VK komt. In CETA staat volgens de commissie bijvoorbeeld te weinig over staatssteun.

Het handelsverdrag tussen EU en VK kan weleens het alleringewikkeldste ooit worden

Daarom is er, na de scheiding waarover de EU en het VK nu onderhandelen, nog een lange weg te gaan voor er een handelsverdrag is. De Britten hebben belang bij weinig Europese bemoeienis met hun regels en veel toegang tot de Europese interne markt. De EU wil alleen toegang bieden als het veel te zeggen heeft over de Britse regels. En als er een manier is om geschillen te beslechten en sancties op te leggen. Dit zou weleens het alleringewikkeldste handelsverdrag ooit kunnen worden.

Neem bijvoorbeeld de ‘oorsprongregels’, in elk handelsverdrag komen die voor. Wanneer is een product Brits? En wanneer is een product alleen in elkaar gedraaid in het VK en eigenlijk Aziatisch? Stel dat het VK „een vestigingsplaats wordt voor de assemblage van Aziatische auto-onderdelen tot auto’s, dan ligt het niet voor de hand dat die auto’s tariefvrij de EU binnen kunnen”, gaf VNO begin 2017 al mee aan de Tweede Kamer.

Voor het bedrijfsleven geldt: de Britse markt is belangrijk, maar de Europese interne markt is belangrijker.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.
    • Marike Stellinga