Recensie

Aan stoel gekluisterd bij ‘War Requiem’ van Concertgebouworkest

Recensie

Voor het eerst sinds 1985 speelt het Concertgebouworkest deze week Brittens diep indrukwekkende ‘War Requiem’. De uitvoering excelleert in helderheid en klankschoonheid.

Het Concertgebouworkest speelde een indrukwekkend ‘War Requiem’ Foto Milagro Elstak

Het War Requiem (1961-1962) van Benjamin Britten is één van die overdonderende en adembenemende meesterwerken die je te weinig hoort - óf onder omstandigheden die het zicht op de grootheid ervan vertroebelen - uitvoering in een galmkerk, bijvoorbeeld.

De herdenking van WO1 bracht een recente opleving met zich mee: een eerste in 2014 en een tweede deze herfst, ter herinnering aan het honderdjarig einde van The Great War én aan oorlogsdichter Wilfred Owen (1893-1918), die een week daarvoor sneuvelde.

Het Concertgebouworkest speelde het War Requiem, waarin Britten de Latijnse dodenmistekst zo meesterlijk effectief doorvlecht met Owens rauwe poëzie, voor het laatst in 1985. Oud-chef Mariss Jansons stond geboekt voor de drie uitvoeringen deze week, maar werd om gezondheidsredenen vervangen door de Italiaan Gianandrea Noseda.

Noseda is vertrouwd met het stuk. Eerder dit jaar verscheen een sterke live-opname met het London Symphony Orchestra onder zijn leiding, maar die legt het in helderheid, finesse en klankschoonheid volstrekt af bij deze onmisbare uitvoering door het Concertgebouworkest.

Het War Requiem draait om contrasten, en dat op verschillende niveaus. De koren, een uitstekende mix van Groot Omroepkoor en Vlaams Radio Koor, regen beladen, overdonderende erupties aan aangrijpende momenten van verstilling. De mannelijke solisten Mark Padmore en Michael Volle – zoals pacifist Britten het wilde een Brit en een Duitser naast de Russische sopraan Elena Stikhina – waren ideaal gecast voor de Owens-segmenten. Na de prachtig pianissimo-prevelend gezongen Requiem-passage verzorgde Padmore met zijn tekstgedreven, klaroenheldere benadering (‘what passing bells for these who die as cattle!’) de eerste sfeeromslag-als-vuistslag.

Net als de solisten liet dirigent Noseda elke vorm van effectbejag links liggen. Wel bespeurde je in positieve zin zijn ervaring als operadirigent, bij voorbeeld in de wijze waarop in het Dies Irae’ de toon aan de hand van sopraan Stikhina (Lacrimosa) prachtig dramatisch verschoot van Orffiaanse scandeerkracht naar een intens lamento. Maar verder liet hij het gloedvol spelende Concertgebouworkest in monsterbezetting (o.a. een enorme kopersectie, zeven slagwerkers en harmonium) zelf het werk doen, strak schakelend tussen Brittens uitersten en adem blazend in de overdaad aan prachtmelodieën.

Het geheel hield je anderhalf uur aan je stoel gekluisterd – tot en met het ontroerende Let us sleep now door Volle en Parkmore, door het Nationaal Kinderkoor beantwoord met het In Paradisum als braamloze belichaming van hoop.

    • Mischa Spel