Opinie

    • Maarten Schinkel

Waarom Unilever zo arrogant was

Zelfs het Internationaal Monetair Fonds komt nu op voor de arbeider. In de dinsdag gepubliceerde vooruitzichten voor de wereldeconomie stelt het Fonds dat achterblijvende loongroei en stagnerende sociale mobiliteit moeten worden aangepakt. Dit om te voorkomen dat het politieke midden in veel landen wordt uitgehold en dat multilateraal beleid om gezamenlijke problemen op te lossen in het ongerede raakt. Lees: stop het ‘populisme’ door zijn oorzaken aan te pakken. Maar er ligt een diepere andere boodschap onder de waarschuwing van het IMF: red het kapitalisme voordat het zijn eigen graf graaft.

In wezen gaat het hier om een oude paradox. Als ondernemers volgens het boekje hun eigenbelang nastreven, dan schaden zij soms hun gezamenlijke belang. Het is rationeel om het ondernemingsrisico zo veel mogelijk bij werknemers neer te leggen. Tegelijkertijd is arbeidsrust een groot goed en is de economie gebaat bij een gezonde consumptieve vraag van welvarende werknemers.

Tweede paradox: het is op bedrijfsniveau rationeel om zo weinig mogelijk concurrentie na te streven. De meest overtuigde liberaal ziet liever geen rivaal verderop in de straat. Maar op geaggregeerd niveau is concurrentie juist het grootste goed. Het spoort aan tot grotere prestaties, jaagt de innovatie aan, verhoogt de productiviteit en de vitaliteit van de economie op de langere termijn.

Dat de positie van de werknemer al een paar decennia onder druk staat, is bekend. Maar hoe zit het met de concurrentie? In een klein hoekje van de jongste World Economic Outlook staan de resultaten van een fascinerende analyse van alle beursgenoteerde bedrijven in 74 gevestigde en opkomende economieën (box 1.1). Onderzoekers concentreerden zich daarbij op de mark-up, de marge die bedrijven leggen op hun product of dienst, ten opzichte van de kostprijs. De grootte en ontwikkeling van de mark-up worden gezien als indicatie van de hoeveelheid marktmacht van bedrijven. En dus, omgekeerd evenredig, van de mate van concurrentie.

Het resultaat: in de opkomende landen is de mark-up sinds de jaren tachtig niet gestegen. In de gevestigde industrielanden nam hij daarentegen toe met gemiddeld 43 procent. Dat geldt voor zowel Europa als de VS. Met uitzondering van een klein aantal sectoren namen de mark-ups en marktconcentratie ook over de gehele linie van het bedrijfsleven toe.

Het is, kortom, steeds slechter gesteld met de concurrentie, die aandrijver van de vooruitgang. Dat kan liggen aan deregulering, het kan liggen aan de opkomst van het winner-takes-all-model en de netwerkeffecten van de moderne firma. Wie wint, blijft winnen.

Wat zegt het? Voor de factor arbeid is al gesproken over de victorianisering van de arbeidsmarkt, waar de verhoudingen terug dreigen te slippen naar die van de negentiende eeuw. Wachten bij de fabriekspoort heet nu gig-economy. Zou er ook een victorianisering van de concurrentieverhoudingen aan de gang zijn? Aan het eind van de negentiende eeuw ontstonden de eerste megabedrijven, wat samenviel met een duizelingwekkende technologische ontwikkeling. Het proces tegen het monopolie van Rockefellers Standard Oil, ruim een eeuw geleden, was de eerste grote stap in het moderne mededingingsbeleid dat zoveel bijdroeg aan de welvaart sindsdien.

De huidige toename van de marktmacht van bedrijven is even alarmerend als de erosie van de positie van de werknemer. Die twee hebben alles met elkaar te maken. Het oproer tegen de afschaffing van de dividendbelasting kwam niet uit het niets. De ongevoeligheid van het Unilever-bestuur ook niet.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel