Stichting eist toegang tot dossiers oorlogsmisdadigers

Tweede Wereldoorlog Persoonsgegevens in het archief worden beschermd. Journalist Arnold Karskens wil er oorlogsmisdadigers mee opsporen.

Het Nationaal Archief in Den Haag. Foto Robin Utrecht/ANP

Het Nationaal Archief moet onderzoeksjournalist Arnold Karskens toegang geven tot de namen en dossiers van oorlogsmisdadigers in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR). Die eis formuleerden de advocaten Geert-Jan Knoops en zijn partner Carry Knoops-Hamburger donderdag voor de bestuursrechter van de Amsterdamse rechtbank namens de stichting Onderzoek Oorlogsmisdaden.

Karskens is voorzitter van die stichting, die als doel heeft nog levende oorlogsmisdadigers op te sporen. Eerdere verzoeken van de stichting om informatie zijn door de rijksarchivaris van het Nationaal Archief afgewezen met een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens die protectie beoogt van de persoonlijke levenssfeer.

Volgens de advocaten deugt die redenering van het archief niet. Internationale verdragen, zoals het genocideverdrag en de Wet internationale misdrijven, dragen juist op oorlogsmisdadigers op te sporen en te berechten. „Verdragsrechtelijke verplichtingen hebben voorrang op de nationale wet die persoonsgegevens beschermt”, aldus Geert-Jan Knoops.

In het CABR zitten de persoonlijke dossiers van ruim 300.000 Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog bijzondere rechtspleging hebben ondergaan omdat ze zouden hebben geheuld met de Duitse bezetter. Inzage in hun dossier kan alleen als de betrokkene is overleden of als deze persoon toestemming geeft.

Karskens denkt in deze archieven de namen van „nog enige tientallen” levende Nederlandse oorlogsmisdadigers te kunnen vinden. Hij zegt te verwachten dat er nog kampbewakers zijn van SS-Wachbataillon NordWest en Nederlandse bewakers die in concentratiekamp Auschwitz hebben gewerkt. In de rechtbank zei Karskens het „onrechtvaardig te vinden dat zoveel schurken nog vrij rondlopen” en dat het archief de identiteit van deze mensen beschermt. „Ik wil ze niet uit hun huizen jagen om ze publiekelijk te kunnen ophangen, maar ik wil wel de gelegenheid om onderzoek te doen”.

Volgens Knoops is het „van groot belang dat de Staat deze Nederlanders, die zich schuldig hebben gemaakt aan afschuwelijke misdrijven, vervolgt en haar volkenrechtelijke verplichtingen alsnog nakomt. De Staat der Nederlanden, die zich internationaal voorstaat op het handhaven van mensenrechten, heeft in de kwestie van de potentiële oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog voor een groot deel daarin verzaakt”.

Nabestaanden

De juridisch adviseur van het Nationaal Archief, Noor Schreuder, verwijt Karskens dat hij het „doet voorkomen dat er maar één weg voor opsporing van oorlogsmisdadigers is, namelijk de weg die hij voorstaat”. Volgens Schreuder is het Openbaar Ministerie „met uitsluiting van andere overheidsorganen bevoegd tot het opsporen en vervolgen van verdachten van oorlogsmisdrijven. Als het OM niet tot opsporing overgaat, wil dat niet betekenen dat die bevoegdheid overgaat op anderen”.

Journalist Karskens zegt dat zijn onderzoek broodnodig is omdat de speciale met de vervolging van oorlogsmisdadigers belaste officier van justitie Johan Klunder volgens hem niets doet. De stichting heeft naar eigen zeggen links en sporen naar oorlogsmisdadigers, maar stuit op een dichte deur. „Door tegenwerking en het zich onttrekken aan internationale wetgeving plaatst Nederland zich op het niveau van een willekeurige bananenrepubliek”, aldus Karskens.

De voorzitter van de rechtbank, H.J. Tijselink, toonde tijdens de zitting donderdag opvallend veel begrip voor de standpunten van de eisende partij. Hij zei dat het voor de nabestaanden van slachtoffers heel belangrijk is te weten wat er met de daders is gebeurd. Tijselink vertelde dat hij voordat hij rechter werd, medewerker is geweest in de Tweede Kamer en in die functie eind jaren tachtig betrokken was bij het debat over de vrijlating van twee Duitse oorlogsmisdadigers die in Breda gevangen zaten. Hem vielen toen de emoties op van slachtoffers van de oorlog. Een woordvoerster van de rechtbank wilde donderdagmiddag niet zeggen welke functie Tijselink destijds precies bekleedde.

De rechtbank zal binnen zes weken uitspraak doen.

    • Marcel Haenen