‘De geheim agenten die ik kende waren op hun veertigste volledig opgebrand’

Javier Marías

In de nieuwe spionage- en liefdesroman Berta Isla ontdekt een vrouw dat haar man een dubbelleven leidt. ‘Ook de mensen die je elke dag ziet zijn eigenlijk een mysterie.’

Nee, hij vindt schrijven niet gemakkelijker geworden. Sinds ik hem de laatste keer sprak, meer dan vijftien jaar geleden, is Javier Marías (1951) ontzagwekkend productief geweest. Zijn veelgeprezen romans, met als onbetwist hoogtepunt de trilogie Jouw gezicht, morgen kun je gerust volumineus noemen; ook zijn nieuwste, Berta Isla, beslaat een kleine zeshonderd bladzijden. „Toch lijkt het eerder moeilijker te worden. Ik heb steeds het gevoel dat mijn nieuwe werk voor mijn oude onderdoet. Ik herlees mijn boeken niet, maar omdat ik personages laat terugkeren, sla ik soms een paar bladzijden op om te kijken of alles wel klopt. Dan denk ik, dat is toch veel en veel beter dan wat ik nu aan het doen ben. Ik werk nu aan een nieuwe roman en ik denk steeds, wat is dit ontzettend kinderachtig, hou er toch mee op.”

Bij Marías, die geldt als een van de belangrijkste schrijvers van onze tijd en wereldwijd zo’n achteneenhalf miljoen boeken heeft verkocht, weet je nooit hoe oprecht zijn breed geëtaleerde bescheidenheid is. Tijdens ons gesprek, in zijn met boeken volgestouwde appartement in het centrum van Madrid, blijkt hij juist uitstekend op de hoogte van de romans die hij zegt nooit te herlezen – hij citeert er met gemak uit. Hij is nog altijd een verwoed kettingroker en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hij een rookwolk tussen hem en zijn interviewer ook figuurlijk wel prettig vindt. Hij spreekt vlot en graag, en schept er zichtbaar plezier in om onbekommerd af te dwalen. Maar spreken over zijn literaire intenties met een vreemde maakt hem zichtbaar ongemakkelijk.

‘Mijn vrouw en ik zien elkaar eens in de vier, vijf weken.’

Berta Isla is een typische spionage- en een liefdesroman à la Marías. De aantrekkelijke Berta, die als meisje een trits bewonderaars heeft, wordt al snel verliefd op de half-Engelse Thomas/Tomas. Ze trouwen, maar Thomas wordt als student in Oxford, om onder een beschuldiging van moord uit te komen, gedwongen een dubbelleven als spion te leiden. Hij is dan nog slechts als een ongrijpbare schaduw in Berta’s leven aanwezig.

‘Berta Isla’ is de geschiedenis van een huwelijk, waarin de geliefden vooral in elkaars hoofd bestaan. Ze zien elkaar nauwelijks.

„Zo vreemd is dat niet, hoor. Ik ken veel van zulke relaties. Sterker nog, mijn eigen huwelijk is een beetje zo. Mijn vrouw woont in Barcelona, ik in Madrid. We zien elkaar eens in de vier, vijf weken. Ondenkbaar dat ik daar zou gaan wonen, of zij hier. Natuurlijk is in mijn roman die verwijdering maar half vrijwillig. Maar ik zie Berta niet als een Penelope-achtige figuur, die braaf wacht op de terugkeer van haar echtgenoot. Ze leidt haar leven, heeft affaires met andere mannen, heeft een baan.

„Tegelijk heeft haar liefde voor Thomas iets vastbeslotens. Ze heeft besloten dat hij haar man moet zijn. Daar zit iets koppigs in, want haar liefde wordt op allerlei manieren onder druk gezet. Niet alleen door de afwezigheid van Thomas – jarenlang weet ze niet of hij nog wel leeft – maar ook door wat hij doet. Ze komt erachter dat haar man een dubbelleven leidt, ze beseft dat hij een mol is die andere mensen bedriegt en verraadt, wellicht de dood instuurt. Dat is het moment dat ze kan kiezen om hem te verlaten.”

In de volharding van haar liefde heeft Berta iets heroïsch. Toch is de roman doortrokken van een gevoel van vergeefsheid. Wat brengt haar trouwe liefde haar nu helemaal?

„Ja, het is een droevig verhaal. Berta Isla is natuurlijk geen echte spionageroman, maar ik heb een aantal echte geheim agenten gekend, die op hun veertigste niet meer wisten wie zijzelf waren, die volledig opgebrand waren door hun leven van deceptie en rollenspel. Het zijn acteurs, maar dan in het echte leven. In het geval van mijn personage Thomas zie je iets wat vaak gebeurt: dat mensen een positie waarin ze al vroeg door omstandigheden worden gedwongen, voor zichzelf rechtvaardigen. Wat ik doe, heet het dan, dient een hoger doel. In het geval van Thomas is dat hij de samenleving beschermt tegen onheil. Dankzij hem, houdt hij zichzelf voor, kunnen de mensen rustig hun leven leiden.”

Juist daarover heeft zijn vrouw ernstige twijfels. Ze vergelijkt zijn werk voor de geheime dienst met de staatsterreur onder het Franco-regime.

„Het is precies die ambivalentie die me interesseert. Thomas werkt voor de Britse staat, zegt hij, maar van wie komen zijn opdrachten eigenlijk? Hij denkt dat de dubieuze dingen die hij doet, een goede zaak dienen, maar weet hij dat zeker? Aan de andere kant vind ik veel mensen erg naïef. Zij eisen bijvoorbeeld dat de geheime diensten transparant zijn, laten zien wat er met hun belastinggeld gebeurt. Maar als je de noodzaak van een geheime dienst erkent, zeker in tijden van terreurdreiging, laat die dan ook zijn geheimen hebben.”

Die wereld van spionage, die u eerder in uw trilogie beschreef, heeft voor u een diepe resonans. Uw personages proberen voortdurend achter van alles te komen, maar uiteindelijk staan ze met lege handen.

„Wij weten nooit iets zeker. Ik kan zeggen dat ik in 1951 in Madrid geboren ben, maar dat is enkel wat ik heb besloten te geloven. We weten meestal bar weinig over het leven van onze ouders voordat we geboren werden. Die vijfentwintig, dertig jaar voor onze komst zijn bepalend voor hun leven geweest, maar wat weten wij ervan? Trouwden ze met elkaar uit liefde, of beschouwden ze elkaar als troostprijs, omdat ze door anderen waren afgewezen?

„Ook wanneer je dagelijks met andere mensen omgaat, weet je welbeschouwd weinig van hen. Je zegt, dit is mijn vrouw, mijn man, mijn zoon, mijn moeder, maar de waarheid is dat we een mysterie voor elkaar zijn. Dat is wat me aantrekt aan dat spionage-milieu. Het hele menselijke bestaan is zo. Aan de andere kant, vaak willen mensen sommige dingen juist liever niet weten. We zijn van nature nieuwsgierig, maar voor sommige kennis schrik je terug. Dat vind ik begrijpelijk. Soms is het zelfs moedig iets niet te willen weten.”

Lees ook het interview van NRC met Javier Marías uit 2015: ‘Een ‘grumpy old man’? Soms denk ik dat ik daar ook wel reden toe heb’

Wat me opvalt aan uw romans en uw essays, is aan de ene kant de schier onuitputtelijke aandacht voor de subtiliteiten van menselijk gedrag, een grote liefde voor literatuur en geschiedenis – en anderzijds een onsentimenteel besef van vergankelijkheid. Alles verdwijnt in een groot zwart gat.

„Haha, op de dagen dat ik somber ben, denk ik er inderdaad zo over. Maar zulke gevoelens moet je wegstoppen, anders word je onverdraaglijk voor je omgeving. Ik schrijf al twintig jaar een wekelijkse column in de krant, en hoewel ik daar voortdurend zeg wat ik niet vind deugen, wat naar mijn mening slecht of leugenachtig is, ben ik daar toch bij uitstek een optimist, omdat ik ervan uitga dat verbetering mogelijk is.

„In een roman hoef je niet een verantwoordelijk mens te zijn, daar ben je vrijer, daar kan alles in gezegd worden, zonder dat er meteen jouw naam onder staat. Je laat meer dingen toe.”

Eigenlijk is het een wonder dat uw romans zo populair zijn, want ze gaan recht tegen de tijdgeest in. Tegen de tendens in om alles transparant te willen maken, ook menselijke relaties, ook seks. Bovendien wordt mensen voorgehouden dat ze hun lot in handen kunnen nemen, hun eigen leven kunnen maken. U houdt uw lezers voor dat het allemaal hopeloze illusies zijn.

„In Berta Isla roept Thomas tegen de spion die hem als student ronselde, je hebt me geen keuze gelaten! Die antwoordt, nogal cynisch: sinds wanneer kiezen mensen hun eigen leven? Dat is een modern idee, westers vooral ook. Niemand kan zijn eigen leven maken, dat is hedendaags bijgeloof. Onze wilskracht wordt schromelijk overschat. Ik ben het lang niet altijd met mijn personages eens, maar de spion heeft hier gewoon gelijk. En het is zeker waar dat mijn werk zich ophoudt in het schemergebied van het menselijk bestaan, de penumbra op z’n Spaans.

„Ik haal graag William Faulkner aan, iets wat ik vele jaren terug bij hem las, maar gek genoeg nooit meer heb kunnen terugvinden. Hij zegt, literatuur is als een lucifer die je ’s nachts in het open veld of in een bos aansteekt. Literatuur laat je alleen zien door hoeveel duisternis je omringd bent. Daar ben ik het helemaal mee eens. Literatuur helpt je de dingen iets beter te begrijpen, waarom de mensen de dingen doen die ze doen, waarom de dingen zijn zoals ze zijn. Meer pretenties als schrijver heb ik niet. Ik probeer de duisternis beter te zien.”

    • Bas Heijne