Foto Frank Ruiter

Fotograaf Thijs Wolzak: ‘Ik controleer elke vierkante centimeter’

Lunchinterview Fotograaf Thijs Wolzak (53) maakte een boek met 50 foto’s uit zijn NRC-serie Binnenkijken. „Ik ben nooit zenuwachtig als ik bij mensen ga fotograferen. Ik heb een doel, ik word verwacht.”

Restaurant Polder was ooit een Amsterdamse boerderij, en de nis waarin we zitten was de bedstee. Er past net een tafel in, een schemerlampje met vogeldessin, en na wat klimwerk zit je best comfortabel op de houten bank vol kleurige kussens. Fotograaf Thijs Wolzak (53) zet zijn telefoon op stil en poetst zijn brillenglazen. In deze huiselijke setting lijkt een uitsmijter hem toepasselijk, en mij een pannenkoek. Samen swipen we op zijn iPad door de foto’s die hij maakte bij ‘de mensen thuis’ voor de NRC-serie Binnenkijken.

O ja, daar heb je dat stel met hun als Amerikaanse diner ingerichte keuken. De vrouw met poedel én een draaiorgel in haar zitkamer. Wat is die voormalige fabriek/kerk/loods ingenieus verbouwd, en opvallend om te zien hoe alle bewoners op de foto’s versmelten met hun omgeving. Van de 245 interieurs die hij sinds 2011 fotografeerde, selecteerde hij er vijftig voor zijn boek Human Interior. Ruim twintig drukte hij af op megagrootte (1,80 bij 2,40 meter) voor de gelijknamige tentoonstelling in het Design Museum in Den Bosch, de opening is dit weekeinde.

Hoe het er bij hem thuis uitziet, vraag ik maar niet. Niet omdat het een open deur is, maar omdat ik dat al weet. De 246ste foto in zijn serie maakte hij op verzoek in zijn eigen huis. Niet hij, maar zijn echtgenote voerde voor het fotobijschrift het woord over de inrichting – modern, veel wit, paar kunstobjecten. „Ik ben niet zo bezig met het interieur,” zegt hij nu. „Het maakt me gewoon niet zoveel uit.” En hij ziet dat niet als een gemis, maar als een kwaliteit. „Ik heb geen omgeving nodig om me prettig te voelen.” Hij fotografeerde een kunstenares in een nagenoeg leeg huis. „Zodra haar kinderen het huis uit zijn, wil ze alles wegdoen, inclusief het huis. Daar voel ik wel iets bij.”

Wat ik wel vraag, is hoe het er vroeger bij hem thuis uitzag. „Zandvoort”, begint hij. Doorzonwoning. Twee-onder-één-kap. Voor- en achtertuin. „De garage was zomers verhuurd aan Duitse toeristen. Zimmer frei.” Oké, dat is de buitenkant. En hoe was het vanbinnen? Hij denkt na. „Meubels van Oisterwijk. Je weet wel. Zwaar eiken meubilair.” Sinds de jaren 70 is er in zijn ouderlijk huis niet veel veranderd. De zware meubels zijn vervangen door lichtere Scandinavische. Zijn moeder, ze is 94, woont er nog steeds, al 56 jaar naast dezelfde buurvrouw. Hij is een nakomertje, zegt hij. Het enige (en onverwachte) kind van ouders die beiden uit eerdere huwelijken kinderen hadden. Zijn vader, directeur van een brandstoffenhandel, is al meer dan dertig jaar geleden overleden.

Geen verzamelaar

Coen Simon, filosoof, vergelijkt het interieur van een huis met het gezicht van een mens. „Het is wat je van jezelf presenteert aan de buitenwereld. De mens projecteert zichzelf op zijn omgeving. Hun interieur bevestigt hun identiteit.” En die behoefte om zichzelf bevestigd te zien, die hoeft voor Wolzak niet zo nodig. „Dat klinkt superieur, maar zo bedoel ik het niet.” Misschien, denkt hij, kan hij het uitleggen met een ander fenomeen waarmee hij niks heeft. Verzamelen. „Ik ben totaal geen verzamelaar, maar ik kan heel jaloers zijn op verzamelingen. Robin Williams, de acteur, had bijvoorbeeld een geweldige collectie kunst en racefietsen.” Verzamelen is een uiting van zelfbewustzijn, denkt hij. „Van jezelf uitbreiden. Je manifesteren in de wereld.” En daar heeft hij niet zo’n behoefte aan. „Misschien is dat helemaal geen teken van innerlijk rust, maar heb ik gewoon het zelfvertrouwen niet.”

Thijs Wolzak
Thijs Wolzak
Thijs Wolzak
Drie afleveringen van de serie Binnenkijken. Met links de Amerikaanse diner en rechts de kunstenares in het nagenoeg lege huis. In het midden een Friese kosterswoning uit 1740.
Foto’s Thijs Wolzak

Op z’n dertiende werd hij lid van de jeugdfotoclub Oog en Blik. „De groepsleider liet een portret zien. Heel close genomen. Kijk, zei hij. Als je de foto aansnijdt nét onder de haarlijn, wordt het voorhoofd groter. Dat vond ik magisch. Een eyeopener.” Zijn vader had hem graag bedrijfskunde zien studeren. Iets nuttigs, waarmee hij zijn geld zou kunnen verdienen. Maar Wolzak koos – na drie maanden natuurkunde – voor de school voor fotografie in Den Haag. „Ik zocht een kamer. Er was iets vrij in het huis van een grafisch ontwerper. Ik kom die kamer bezichtigen. De deur gaat open. Die hoge ramen, dat licht, die ruimte.” Hij zei meteen ja. „Ik vroeg me niet af of de kamer dicht genoeg bij de bushalte was. Ik wist niet of er wel een keuken was en naar de hoogte van de huur vergat ik te vragen. Voor het eerst realiseerde ik me dat je iets ook kon kiezen op niet-rationele overwegingen.” Hij bedoelt: op gevoel? Hij knikt van ja.

Ik loop eerst alleen rond. Na een uur weet ik hoe ik de camera neer ga zetten

Op de fotoschool leerde hij hoe je foto’s maakt, op de Rietveld Academie in de jaren daarna moest hij uitvinden wat voor type fotograaf hij was. Dat weet hij inmiddels. „Mijn foto’s zijn een vertaling van hoe ik kijk. Als een opdrachtgever mij vraagt, hoop ik dat ze begrijpen dat ik op mijn manier naar zijn werkelijkheid kijk. Ik kan niets anders.” Of hij nou gebouwen fotografeert voor architectenbureaus, of mensen voor een tijdschrift, hij komt, zegt hij, altijd met dezelfde foto thuis. „Het is altijd het gebouw en zijn gebruikers, of de mens in zijn leefomgeving.”

Zijn binnenkijken-serie gaat niet over het mooie interieur, de bijzondere spullen of de bewoner zelf. „Het is de visualisering van een ontmoeting.” Woonportretten, worden ze wel genoemd. Zelf vindt hij de titel ‘human interior’ beter passen. „Binnenkijken suggereert iets burgerlijks. Alsof je even naar binnen gluurt. Het heeft iets vrijblijvends en vluchtigs.” En zijn werkwijze is bepaald niet vluchtig. „Hoe meer tijd ik heb, hoe beter de foto wordt. Ik weet precies hoe mijn concentratie, mijn spanningsboog werkt. Ik loop eerst alleen maar rond. Na een uur weet ik hoe ik de camera neer ga zetten. Duurt het anderhalf uur, dan raak ik in paniek.” Staat de camera eenmaal, dan duurt het nog zo maar twee uur voor alles erop staat. „Ik ben nooit zenuwachtig als ik bij mensen ga fotograferen. Ik heb een doel, ik word verwacht.” En de camera helpt bij het leggen van contact? „Een camera maakt sociale situaties zeker makkelijker. Maar hier kom ik niet op visite. Het is voor iedereen volstrekt duidelijk wat ik kom doen.” Alle meubels verplaatsen en urenlang blijven? „Mensen kijken vaak met plezier terug op de dag dat ik bij ze langskwam.”

Een ‘unexpected egg’

En wat ziet hij als hij kijkt? Hij ziet in een oogopslag de plattegrond van de ruimte, de verhouding tussen het plafond, de wanden en mensen daartussenin. Hij doet nu alsof hij door een cameralens kijkt. Onze tafel in de nis, de opkamer van de boerderij, de ronde tafel waaraan andere gasten zitten, de ramen met uitzicht op het kippenhok. „Het servet daar op tafel ligt vlakbij, dat is groter op het netvlies en dus relatief belangrijker.” En dus staat een details, namelijk het servet, prominenter op de foto dan ik, en ‘zweeft’ de ronde tafel straks ergens boven mijn hoofd. „Het uiteindelijke beeld is een opeenstapeling van alle elementen in de ruimte.” Het levert een tikje surrealistische foto’s op. „Het is geen stilstaand beeld, maar verhalende fotografie. Je kijkt, en tegelijkertijd begint, onwillekeurig, zich iets af te spelen in je hoofd.”

Thijs Wolzak
Van links naar rechts: een Marokkaanse woonkamer in Lelystad, een ecologische cattery voor Siamezen en een kasteel, in het Zeeuwse Zuid-Beveland.
Foto’s Thijs Wolzak

Als het aan hem ligt zou er op de hypothetische foto van mij in onze nis, ook nog ergens een schurftige hond staan die z’n achterwerk aan het krabben is. „Er moet iets gebeuren wat niet klopt. Ergens zit een unexpected egg.” Een kind dat zich heeft opgerold in de boekenkast, een krullend verlengsnoer onder de bank, een vrouw die zich nét vooroverbuigt waardoor ze half in een kast verdwijnt, een stofzuiger bij de voordeur die lijkt te wachten op bezoek. Wolzak is fan van hoe surrealistische kunstenaars schoonheid omschreven: ‘schoonheid is de toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op een snijtafel.’ Zo vangt Wolzak de niet-bestaande werkelijkheid. Niet bestaand, omdat hij alles, maar dan ook echt alles, van tevoren zo heeft uitgedacht en neergezet. „Ik controleer elke vierkante centimeter.”

Lees hier wat Thijs Wolzak zelf vertelt over zijn selectie van beste afleveringen van Binnenkijken. Het beste van 248 keer binnenkijken

Alleen de camera, die wil zich nog wel eens gedragen als „een wilde hond die zich wil losrukken van de halsband”. Wolzak drukt op het knopje – klik, klik – staat er toch weer iets op de foto wat hij niet wilde. Was het dan niet veel handiger geweest als hij schilder was geworden? „Ik probeer de werkelijkheid te regisseren. Dat lukt nooit helemaal, en dat is niet erg. Het leven is niet maakbaar.”

Het klinkt nét niet helemaal overtuigend, zeg ik. „Jawel hoor.” Hij kan prima leven met imperfecties, zegt hij. Zo heeft hij bijvoorbeeld nog helemaal niets gezegd over onze tafel, die van begin af aan al „hartstikke” scheef stond.

    • Rinskje Koelewijn