Opinie

Thorbecke, ook jij zou je eigen wetten nu aanpassen

Hoe kun je verschillen de ruimte geven en toch de eenheid van het land bewaren, vraagt in haar Thorbecke-lezing.

Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872), Nederlands liberaal staatsman en als voorzitter van de Grondwetscommissie in 1848 grondlegger van de Nederlandse parlementaire democratie Illustratie Hajo

Weledelgestrenge Heer Thorbecke, of mag ik schrijven: Waarde Rudolph?

Ik schrijf je, omdat ik iets met je wil delen. En ik denk je Rudolph te mogen noemen, omdat … ja, het is allemaal wat informeler geworden in de loop der tijd. En op mijn werkkamer staat ook een borstbeeld van je, precies achter me. Je kijkt elke dag over mijn schouder. Er is een nieuwe biografie van je uit. Wat na lezing van dit monumentale werk blijft hangen is het beeld van een outsider die zich weet te ontwikkelen tot de machtigste man van Nederland, en er vervolgens in slaagt tal van blijvende hervormingen door te voeren. [...] Nederland is nog altijd gegrondvest op jouw grondwet. Op jouw drieledige bestuursmodel: rijk, provincies, gemeenten.

Misschien zul je denken: dat klinkt alsof er weinig is veranderd. Nou… Om te beginnen zijn we met meer. Bijna zes, zeven keer zoveel als in jouw tijd. Van 2,5 naar zo’n 17 miljoen mensen. Jij kent de paardentram. [...] Jij kent het telegram. Als mijn zoons zouden vragen wat dat is, zou ik zeggen: een e-mail op een fiets. Laten we zeggen dat een e-mail een telegram met de snelheid van het licht is. [...] Maar jouw Grondwet, die staat nog fier overeind. Net als jouw kieswet, jouw Provinciewet en jouw Gemeentewet. Dat je deze wetten doorgaans zelf schreef, doet vriend en vijand nog altijd versteld staan.

„Ieder tijdvak heeft zijn eigen beginsel van beweging; laat men dat slapen, dan ontstaat in het volgend tijdvak verwarring van beweging. Gestadige aaneenschakeling wordt niet door werkeloosheid, maar door gestadige schepping onderhouden.”

Je zei het met zoveel woorden: openbaar bestuur moet met zijn tijd meebewegen, anders zal het niet meer naar behoren functioneren.

De eerste helft van jouw negentiende eeuw was een tijd van somberheid. De oorlog met België had een hoop geld gekost. Er dreigde een staatsbankroet. De aardappelziekte heerste.

Er gingen zelfs stemmen op dat Nederland zich aan moest sluiten bij Duitsland

In diverse landen waren opstanden. Revoluties. Er gingen zelfs stemmen op dat Nederland zich aan moest sluiten bij Duitsland. Ook jij twijfelde in een tafelrede aan het vermogen van Nederland om op eigen kracht te overleven: „Bezit de natie nog die kracht en dat karakter, dat zij verdient, meer dan in naam zelfstandig te zijn?”

Wellicht hadden sommige mensen – omdat je zelf half-Duits was, je vrouw Duits, en je erg beïnvloed was door de Duitse Kultur – anders verwacht, maar toch koos je, Rudolph, voor de onafhankelijkheid van Nederland. Je zocht de oplossing in een nieuw staatsbestel, dat ruimte zou bieden voor participatie van de bevolking. Anders zou hier in Nederland weleens hetzelfde kunnen gebeuren als in omringende landen.

Lees ook: Minder kansen door zijn afkomst? Thorbecke kon het niet uitstaan

Je wilde „leven en wasdom” scheppen. Mensen betrekken bij een helder, geregeld openbaar bestuur. De „productieve kracht der natie” stimuleren. Lokale accijnzen en tollen die de handel in de weg stonden opruimen. Je greep in in verouderde structuren, en je emancipeerde mensen die niet aan bod kwamen. Joden. Katholieken. En dat tegen de dominante belangen van het establishment in. In jouw woorden: „Het is niet een oude maatschappij, die behoudt, het is een nieuwe, die voltooiing vraagt.”

Je stichtte door het hele land HBS-en, zodat jongens uit de burgerij voorbereid werden op werk in de ‘nijvere maatschappij’. Je verbeterde de infrastructuur met het Noordzeekanaal en uitbreiding van de spoorwegen. Je verbeterde de armenzorg, omdat je vond dat een beschaafde staat verplicht was zelf voor zijn armen te zorgen. Je zorgde dat Aletta Jacobs, als eerste vrouw, aan de Universiteit van Groningen geneeskunde kon gaan studeren.

En je maakte een eind aan het lappendeken van steden, dorpen, ambachten, grietenijen, heerlijkheden. Allemaal met eigen rechten. Ieder kreeg dezelfde status van gemeente. Met dezelfde structuur, dezelfde bestuursorganen, dezelfde procedures, dezelfde autonomie. „Wij gaan een grote en blijvende weldaad aan het land bewijzen” – en de geschiedenis gaf je gelijk.

Waarde Rudolph, Nederland anno 2018 is een land van ongekende voorspoed. Van vooruitgang, kansen en mobiliteit. Een van de meest vrije, veilige en welvarende landen ter wereld. Een land waar je kunt zijn wie je bent, ongeacht je geloof, je herkomst of je seksuele geaardheid. Waarin jongeren genieten van nieuwe mogelijkheden en meisjes nu in de meerderheid zijn op onze universiteiten.[...]

Toch bestaat er, net als in jouw tijd, onbehagen over de manier waarop het land bestuurd wordt. [...] De scheidslijnen nemen toe. Tussen hoogopgeleide hipsters in stedelijke koffietentjes en vergrijzing op het platteland. Tussen sociaal vertrouwen en wantrouwen. Tussen mensen die het gevoel hebben dat de wereld aan hun voeten ligt. En die het gevoel hebben altijd in de hoek te zitten waar de klappen vallen.

De scheidslijnen nemen toe, terwijl de lands- en gemeentegrenzen vervagen.

Waar voor de één de wereld een grote speeltuin is geworden, is de eigen omgeving voor de ander van groter betekenis. De eigen buurt. De eigen Mienskip. Het eigen pleintje. [...] Een vader in Amsterdam zal zich afvragen of zijn dochter nog wel aan een betaalbare woning in de stad komt. Een moeder in de Achterhoek zal zich afvragen of haar zoon zijn woning ooit verkocht krijgt. Een directeur van een basisschool in Zeeuws-Vlaanderen zal zich afvragen of hij zijn school nog wel kan openhouden. Een lerares in Den Haag of zij in haar overvolle klas ieder kind wel genoeg aandacht kan schenken.

De scheidslijnen nemen toe, terwijl de lands- en gemeentegrenzen vervagen. Om in jouw geboortestad Zwolle tot samenhangend beleid te komen, bundelen inmiddels twintig gemeenten en vier provincies de krachten. Ik vraag me hardop af wat dit volgens jou moet betekenen voor de inrichting en het functioneren van het openbaar bestuur. [...] Het vraagstuk van deze tijd is hoe je dit verschil de ruimte kunt geven, en tegelijk de eenheid in Nederland kunt bewaren. Zorgen dat iedereen zijn of haar kansen krijgt, dat inzet wordt beloond, dat iedereen de juiste zorg krijgt, en goed kan wonen.

Ik raak ervan overtuigd dat jij voor beweging zou zijn. Want was jij het niet die de term „organische staatsleer” muntte? [...] Jij zou je bestuursmodel aanpassen aan wat de tijd vraagt. [...] Je zei zelf: „De wereld gaat vooruit, en ik wenschte met haar vooruit te gaan.”

Dus waarom nee tegen de grote gemeenten die meer taken zelf willen uitvoeren? Als dat die dochter van die bezorgde vader in Amsterdam aan een woning helpt… Of nee tegen een provincie als Zeeland die gemeentelijke taken uit wil voeren als die directeur basisschool kan openhouden? Waarom nee tegen gemeenten die met elkaar willen samenwerken in nieuwe concepten zoals een ‘federatiegemeente’? Als dat – om je te citeren – „de productieve kracht der natie” stimuleert? [...] En waarom – als sommige gemeenten dan toch meer taken op zich nemen – eigenlijk een ‘nee’ tegen de mogelijkheid om gemeenten meer hun eigen bestuur in te laten richten? Om zelf te bepalen hoeveel raadsleden ze willen hebben? Of tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen te houden?

Het zijn oplossingen die wel schuren met onze wettelijke kaders. En ik zeg nu tegen die oplossingen ‘ja’. Ja met een grote mits. De enige voorwaarde die ik stel, zijn die van de essentiële randen van het speelveld van de democratie en de rechtsstaat. Zoals: de autonomie van gemeenten; de democratische verantwoording van bestuur; scheiding tussen de uitvoerende en controlerende macht; de politieke verantwoordelijkheid van het college voor hun ambtenaren; en de eisen die we aan bestuurders stellen op het gebied van integriteit en onverenigbaarheid van functies.

De reden die Descartes voor zijn trek naar Nederland gaf, was dat het klimaat „er beter was om te denken”.

Waarde Rudolph, ik wil een Nederland waarin iedereen dezelfde kansen heeft. Ongeacht of je in Aalten, Appelscha of Amsterdam opgroeit. In het belang van deze eenheid is verschil nodig. En ligt daar ook niet onze historische kracht? Ligt daar ook niet onze identiteit in vervat?

De reden die Descartes voor zijn trek naar Nederland gaf, was dat het klimaat „er beter was om te denken”, waarbij hij doelde op ons onderwijs. Het samen thuis voelen in verschil.

We vonden eenheid in de strijd tegen water, maar lieten de eigengereide steden in de zeventiende eeuw de ruimte om te floreren. Het bezorgde ons een Gouden Eeuw. De verzuiling in de twintigste eeuw bood katholieken, protestanten, socialisten en liberalen een recept om met elkaars afwijkende gedrag te leven. Door gezamenlijke inschikkelijkheid is wel de basis gelegd voor dat Nederland anno 2018. Dat land van ongekende welvaart en voorspoed. Wij kunnen ook nu laten zien dat eenheid in verscheidenheid de winnende combinatie is.

Lees ook: Kajsa Ollongren haalt Omgevingswet weg bij Infrastructuur en Milieu

De gemeenten hebben inmiddels meer ruimte voor het stellen van eigen prioriteiten. De huidige regering sloot onlangs een uniek partnerschap met gemeenten, provincies en waterschappen om over de grenzen van de bestuurslagen aan de vraagstukken van vandaag en morgen te werken. En er ligt inmiddels een Omgevingswet, die meer ruimte geeft voor lokale afwegingen bij het inrichten van de leefomgeving. [...] Maar is het voldoende?

Ik denk dat ik binnen jouw Gemeente- en Provinciewet op zoek moet naar ruimte voor experimenten, en jouw wetten bieden die ruimte. [...] Alsof je wist dat de oplossingen van 1848 niet de oplossingen van die van 170 jaar later zouden zijn. De oplossingen van de toekomst in Rotterdam niet de oplossingen van het Achterhoek van de toekomst waren.

Ongetwijfeld roept één en ander onrust en weerstand op. Ik hoor de tegendenkers roepen: „Maar hoe weten de burgers dan nog hoe het bestuur functioneert?” Jij zou ongetwijfeld confronteren. Sterk op de inhoud. Toen een Kamerlid je waarschuwde dat hij zich met deze maatregelen niet populair zou maken, antwoordde je: „Zo er dan populariteit moet wezen, dan vraag ik niet de populariteit van het ogenblik, maar duurzame populariteit.”

Hoogachtend heb ik de eer te zijn, je verre ambtelijke opvolger en Uwe dienstvaardige,

Kajsa Ollongren