Schrobbering voor Parijs over dividendbelasting

Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week Europees recht: winstbelasting en monetair beleid.

Foto iStock

Dividendbelasting bezorgt niet alleen Nederland hoofdbrekens. Frankrijk heeft het al tien jaar met de Europese Commissie aan de stok over de fiscale behandeling van dividend dat Franse concerns incasseren van dochterondernemingen. In 2011 leidde dat tot een veroordeling door het Hof van Justitie van de Europese Unie, omdat Parijs dividend van binnenlandse dochters gunstiger behandelde dan dat van buitenlandse. Een dergelijk onderscheid is binnen de EU niet toegestaan. Parijs moest zijn fiscale regime herzien.

Maar deze herziening heeft volgens de Europese Commissie geen eind gemaakt aan de verboden „discriminerende en onevenwaardige” behandeling van winstuitkeringen door buitenlandse dochters van Franse bedrijven. Daarom stapte zij twee jaar geleden opnieuw naar het EU-hof. Vorige week stelde de hoogste Europese rechter de Commissie andermaal in het gelijk: elke lidstaat mag zijn eigen heffing over winstuitkeringen organiseren, maar voor grensoverschrijdend dividend mag die niet slechter uitpakken dan voor een binnenlandse uitkering.

Het Hof liet het daar niet bij. Het deelde ook een tik uit aan de Conseil d’État, de hoogste Franse bestuursrechter. Die had de wetsherziening niet op eigen houtje mogen toepassen: krijgt de hoogste nationale rechter een kwestie voorgelegd die een vraag opwerpt over de uitleg van Europese wetten, dan moet hij (bindend) advies inwinnen bij het EU-hof. Dat voorkomt dat zich in een lidstaat rechtspraak ontwikkelt die niet strookt met het EU-recht. De reprimande valt ook te lezen als een waarschuwing aan Polen en Hongarije, die recentelijk controversiële rechtswijzigingen doorvoerden zonder het EU-hof te consulteren.

www.curia.europa.eu ECLI:EU:C:2018:811
    • Joop Meijnen