Geen plaatjesboek, maar ze zijn schitterend

Maria van Gelres gebedenboek

Wie nu zo’n geïllustreerd gebedenboek uit de 15de eeuw bekijkt, ziet iets anders dan de gelovige middeleeuwers. Maar het boek van Maria van Gelre is ook onweerstaanbaar voor de door beelden overspoelde moderne mens.

Pagina’s met tekst en randdecoratie uit het gebedenboek in de Staatsbibliotheek in Berlijn. Foto Dick van Aalst / Radboud Universiteit

Tussen het monnikenwerk uit de Middeleeuwen en het monnikenwerk van Katarzyna Schirmacher, zes eeuwen later, bestaan opvallende overeenkomsten. Schirmacher zit in een cel, gebogen over een miniatuur uit een gebedenboek, waar ze met een heel fijn penseeltje intensief aan werkt.

De kleuren en het goud van de afbeelding schitteren alsof ze gisteren zijn aangebracht. De letters van de tekst op het perkament zijn scherp en helder geschreven. Hier ligt, op een zorgvuldig beschreven en versierd blad, de toegang tot een wereld van stille religieuze devotie en sublieme esthetiek. De drukke buitenwereld is ver weg.

Maar de cel van Schirmacher bevindt zich niet in een klooster. Het is een modern uitgeruste, afgesloten kamer-in-een-kamer, met een installatie om de vochtigheid en de temperatuur nauwkeurig te regelen. Deze laboratoriumachtige ruimte bevindt zich in de Staatsbibliotheek in Berlijn, aan de pronkboulevard Unter den Linden, in het hart van de Duitse hoofdstad. En Schirmacher, restaurator van beroep, werkt anno 2018 met behulp van sterke stereomicroscoop en een computer aan de conservering van het in 1415 geschreven gebedenboek van Maria van Gelre.

Dat rijk versierde boek geldt als een van de grootste middeleeuwse kunstschatten uit Nederland. Een deel ervan zal vanaf zaterdag in Nijmegen te zien zijn, als hoogtepunt van de tentoonstelling Ik, Maria van Gelre. De hertogin en haar uitzonderlijke gebedenboek, in Museum Het Valkhof.

‘Heilige man’

Het is niet moeilijk om je, ook zonder microscoop, te verliezen in de miniaturen. Het blad dat Katarzyna Schirmacher net onderhanden heeft bijvoorbeeld. Vier regels tekst, daarboven een afbeelding van drie figuren in kleurige gewaden, aan weerszijden een brede margeband van goud en rood en blauw, omkranst door bloemranken. Dat is de eerste blik.

Pas dan valt op dat de achtergrond van de drie een soort primitief perspectief heeft, het is als een goud-rood-blauw betegelde ruimte, waarbij ieder blauw en ieder rood tegeltje een minuscuul wit stipje in het midden heeft, dat kleine diagonale lijntjes uitzendt. Zo straalt en schittert de hele ruimte.

De informatie dat de drie figuren Reinald van Dortmund, Silvester en Titus van Kreta zijn, zegt de 21ste-eeuwer niet veel meer. Ook de tekst, voor zover die al te ontcijferen valt, raakt niet direct het hart of de geest van althans deze hedendaagse beschouwer, die al blij is dat hij in de bovenste regel de woorden „heilige man” ontdekt.

Gelre, ca. 1415Perkament, 18,4 x 13,2 cmBerlijn, Staatsbibliothek zu Berlin, Ms Germ Oct 42, vol. 132vDe rijke man richt zich vanuit de hellemond tot Abraham met de vraag zijn pijn te verzachten met één druppel water, maar Abraham weigert dat. Bij leven had hij de arme Lazarus te eten kunnen geven, maar hij heeft dat nagelaten. De miniaturist heeft een ongebruikelijk moment uit het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus afgebeeld, waarin de dramatiek ten volle tot uitdrukking komt.
Pagina’s met tekst en randdecoratie uit het gebedenboek in de Staatsbibliotheek in Berlijn.
Foto Dick van Aalst / Radboud Universiteit

Arnhems klooster

Wie niet met een wetenschappelijk oog kijkt, kan zich de vrijheid veroorloven zich niet te storen aan de strenge mededeling in de catalogus dat de tekst de kern van het gebedenboek is. „Het is immers geen plaatjesboek, maar een boek vol devote gebeden en oefeningen die ondersteund worden door de illustraties.”

Goed om te weten, maar dat was toen. Als 21ste-eeuws beeldmens, levend in een wereld die door digitale plaatjesboeken gedomineerd wordt, bezwijk je toch voor de miniaturen. Die van Maria zelf bijvoorbeeld, in een indrukwekkend blauw gewaad waarvan de sleep het gouden kader van de tekening royaal en vrijpostig te buiten gaat. Maria staat in een soort ommuurd tuintje met witte rozen en leest in een boek, terwijl twee engelen op haar toevliegen en zij vanuit de hemel gezegend wordt.

Restaurateur Katarzyna Schirmacher blijft broodnuchter bij al dat moois. Haar werk speelt zich letterlijk af op de vierkante millimeter, waar ze via de microscoop en op het brede beeldscherm daarnaast kan zien wat ze doet. En ook hoe ongelooflijk precies de vakmensen zes eeuwen geleden deze miniaturen zónder microscoop, en vermoedelijk ook zonder vergrootglas, tot in de kleinste nuances hebben kunnen schilderen.

„Dit is heel intensief werk, dat opperste concentratie vergt”, zegt Schirmacher over haar werk. „Dit moet je zonder emoties doen. En niet langer dan vier uur achter elkaar, daarna lost een collega me af.”

Maria van Gelre werd in 1380 in Normandië geboren als de adellijke dame Marie d’Harcourt. Door haar huwelijk, in 1405, met Reinoud van Gulik en Gelre werd ze hertogin Maria van Gelre. Het gebedenboek dat ze in 1412 liet schrijven, niet in het Latijn maar in de lokale volkstaal van haar nieuwe land, werd met meer dan 600 folia, dus 1.200 bladzijden, een van de omvangrijkste gebedenboeken van die tijd. In een klooster in Arnhem is het geschreven; waar de miniaturen zijn gemaakt, is niet bekend. In 1415 was het voltooid.

Gesperrt!

Al eeuwen is het boek niet meer compleet. Omstreeks 1600 is het in twee delen gesplitst. Eén deel bevindt zich in Wenen (in de Österreichische Nationalbibliothek), een groter deel in Berlijn, en er zijn ook bladen verdwenen - vermoedelijk eruit gesneden omdat ze bijzondere miniaturen bevatten.

Het Berlijnse deel verkeerde in zo’n slechte staat, dat het uit de band is genomen en als losse katernen jarenlang opgeborgen was in een doos waarop met grote rode letters stond: Für die Benutzung gesperrt!

Te kwetsbaar om bekeken te worden. Zo stuitte Johan Oosterman, hoogleraar oudere Nederlandse letterkunde aan de Nijmeegse Radboud Universiteit, er vier jaar geleden op toen hij het colofon wilde bekijken – wat dus niet mocht.

In een gezamenlijke project van Berlijn en Nijmegen wordt de schade aan het gebedenboek nu hersteld. Losgeraakte deeltjes pigment en goud worden bijvoorbeeld vastgezet, door restaurateur Schirmacher en haar collega’s. Dat proces zal nog enkele jaren vergen, maar Museum Het Valkhof kan veertig pagina’s tonen – als hoogtepunt van een bredere tentoonstelling over Maria van Gelre en haar tijd. Omdat de gevoelige bladen volgens de Duitse regels niet langer dan zes weken achter elkaar aan licht mogen worden blootgesteld, zullen de eerste zes weken in Nijmegen twintig pagina’s gepresenteerd worden, die daarna worden omgewisseld voor twintig andere.

Wie in de eerste helft door Maria en haar gebedenboek wordt gegrepen, zit dus vast aan een tweede bezoek – een wetenschappelijk verantwoorde vorm van klantenbinding waar weinig tegen in te brengen valt.

Ik, Maria van Gelre, in Museum Het Valkhof, Nijmegen. Van 13/10 t/m 6/1. Inl.: museumhetvalkhof.nl
    • Juurd Eijsvoogel